Categorieën
Koningstijd

Koningen van Juda en Israël

Juda, Israël en hun buren 1

Introductie

De onderstaande jaartallen komen meestal uit het werk van Roger C. Young 2, dat gebaseerd is op dat van Edwin R. Thiele; alleen waar ik afgewijk geef ik een verklaring die wat uitgebreider is.

Iedereen die weleens heeft gepuzzeld om de koningen te kunnen dateren, komt erachter dat het niet zomaar iedereen achter elkaar zetten is. Jehoram van Juda bijvoorbeeld werd koning in het vijfde jaar van Joram van Israël (2 Kon 8:16), maar Joram in het tweede jaar van Jehoram (2 Kon 1:17). Jehoram werd koning toen zijn vader begraven was (2 Kro 21:1), maar ook toen zijn vader nog leefde (2 Kon 8:16). Ahazia van Juda was zowel 22 (2 Kon 8:26) als 42 (2 Kro 22:2) toen hij gekroond werd. En zo zijn er nog een aantal leuke dingen.

Ondanks alles zijn dit geen fouten. De gegevens vullen elkaar juist prachtig aan. De uit de puzzel gekomen jaartallen passen bij alles wat er in en buiten de Bijbel om over de koningen en hun tijd bekend is, inclusief Egypte en Assyrië. En dat is alleen mogelijk als deze op het eerste gezicht verwarrende gegevens in de tijd zelf zijn opgeschreven.

Thieles chronologie

Dat Thiele (en Young) gelijk heeft (hebben) over zijn (hun) chronologie van de koningstijd, is niet zomaar een aanname. Arie Dirkzwager bijvoorbeeld schrijft dat in Thieles chronologie verschillende Bijbelverzen niet meer passen in het beeld.

Om eerlijk te zijn heb ik me net als Dirkzwager lang verzet tegen Thieles chronologie. Ik dacht ook dat hij de Bijbel had aangepast en de regeringen ingekort om het totaalplaatje bij de Assyrische gegevens te laten passen. Maar na jaren lezen, zoeken, puzzelen en lange periodes de puzzel laten liggen, kwam ik tot de conclusie dat de meeste van Thieles resultaten toch kloppen. Op de alternatieve langere tijdlijn moeten er een paar interregnums worden toegevoegd, periodes waarin geen koning heerste. En dat is onmogelijk. Bij elke koning(in) staat dat hij zijn voorganger direct opvolgde.

Twee van Dirkzwagers punten zijn aan de kant te schuiven omdat hij, net als ik vroeger deed, verkeerd rekent. Hij schrijft onder andere dat er 480 jaar tussen jaar 4 van Salomo en de exodus zaten, maar het was in het 480e jaar (1 Kon 6:1). Van dat laatste jaar was nog maar de tweede maand bereikt. Er was dus slechts iets meer dan 479 jaar verstreken. Ook schrijft Dirkzwager dat er 14 jaar na de val van Jeruzalem in 586 een jubeljaar was, wat dan in 572 zou zijn. Dit moet het 14e jaar zijn (Ez 40:1), opnieuw een jaar minder dan waar hij mee rekent, en Jeruzalem viel in 587, niet 586. Dat jaartal is onafhankelijk van de discussie over Thieles chronologie. Ook heeft hij Thieles chronologie niet goed gelezen. Het 18e jaar van Josia is 623/2, niet 624/3. Dit soort details lijken onbelangrijk, maar ze vormen het verschil tussen een goede chronologie en een die tegen de Bijbel in gaat.

In de langere chronologie zou in plaats van Thieles 931, 977 het jaar van de scheuring van Salomo’s rijk zijn. Dit is berekend vanaf de val van Jeruzalem in 587, waarbij de 390 jaar ongerechtigheid van Israël (Ez 4:4-5) zijn opgeteld. Het begin van de ongerechtigheid wordt door onder andere Dirkzwager gekoppeld aan de zonden van Jerobeam, waarmee werd doorgegaan tot aan de val van Samaria (2 Kon 17:21-23), maar het beginpunt van de 390 jaar wordt nergens genoemd. Het is dus mogelijk dat deze 390 om een andere reden begonnen. In mijn chronologie is 977 het jaar waarin God een 3-jarige hongersnood liet ontstaan, die leidde tot de dood van 7 nakomelingen van Saul (2 Sam 21:1-14). Deze hongersnood was een vervolg op de belofte van God aan David dat, doordat hij Bathseba van haar man Uria had afgepakt, het zwaard niet uit zijn huis zou wijken (2 Sam 12:9-10). Een teken daarvoor was de opstand van Absalom (2 Sam 12:11, 16:21-22), die met alle gevolgen daarvan eindigde (2 Sam 20:22) direct voor de hongersnood (2 Sam 21:1). Na de opstand van Absalom was het het zwaard van God dat tegen David streed.

Thieles chronologie voor de Bijbelse koningstijd is daarom de basis geworden voor mijn herziene chronologie van Egypte. Een van de gevolgen daarvan is dat Merenptahs oorlog in Israël, waarbij hij een hongersnood creëerde, in 974 was; dit was in het 4e jaar van de hongersnood.

Manieren van tellen

Het is niet voor niets dat pas in de 20e eeuw n.Chr. werd ontdekt hoe de chronologie van de koningstijd kan worden opgebouwd, als eerste door Valerius Coucke. Juda en Israël telden de jaren van hun koningen namelijk op verschillende manieren.

In Juda werd begonnen op 1 tisjri, in september; in Israël werd begonnen met 1 nisan, in maart.

Als halverwege het jaar koning A overleed en B begon met regeren, werd ook dat op verschillende manieren geteld. In Juda kreeg A het hele jaar toegewezen en begon het eerste jaar van B op de volgende 1 tisjri; dit is de exclusieve telling. Nadat Rehabeam bijvoorbeeld was gestorven, in het jaar 1 tisjri 915-1 tisjri 914, begon het eerste jaar van zijn opvolger, Abia, pas met 1 tisjri 914. In Israël werd het gedeelde jaar geteld bij zowel A als B, de inclusieve telling. Het laatste jaar van Jerobeam I, 1 nisan 910-1 nisan 909, was ook het eerste van Nadab.

Er zijn uiteraard ook uitzonderingen. In Juda werd inclusief geteld voor Jehoram, Ahazia, Athalia, Joas en bijzonder genoeg ook voor de laatste koning, Zedekia. In Israël werd in Jehu’s tijd overgegaan op exclusief tellen. Als een koning tijdens zijn leven al het koningschap aan zijn troonopvolger gaf, werd ook voor deze co-heerser inclusief geteld.

Als laatste bestaat er een verschil tussen co-regenten en co-heersers. Co-heersers deelden de macht, en hadden net als de co-heersers van de Egyptische dynastieën XXII en XXIII een eigen jaartelling; een co-regent was de ondergeschikte van de koning en had dat niet.

Het klinkt misschien verwarrend, maar dit alles is een chronologische goudmijn. De meeste koningen kunnen hierdoor tot op een half jaar nauwkeurig worden gedateerd. Het ene halve jaar loopt van 1 nisan tot 1 tisjri, het andere van 1 tisjri tot 1 nisan. Dit is hieronder omgerekend naar de Juliaanse kalender, zodat de jaartallen vergeleken kunnen worden met Egypte.

Co-heerschappijen

Een gevolg van Thieles korter-dan-verwachte chronologie is dat er verschillende co-heerschappijen in Juda waren. Dat kan niet anders; het totaal aantal jaren is groot genoeg om uit te komen in het bovengenoemde 977. Dat was voor mij een reden om Thieles chronologie de deur uit te zetten. Maar na een grondige bestudering van de Bijbel blijkt dat alle onderstaande berekende co-heerschappijen van Juda duidelijk genoemd worden.

Het gaat om de officiële formule waarmee een koning geïntroduceerd wordt. Staat hierbij de naam van zijn vader, dan wordt soms wel en soms niet gezegd dat deze vader de koning was van Juda. Dit lijkt een onbelangrijk detail, maar bij de koningen in wiens formule de vader wordt genoemd en volgens de onderstaande chronologie co-heersers of co-regenten waren, staat dat de vader de koning van Juda was. Bij de andere koningen wiens vader in de formule genoemd wordt staat dat niet.

  • “Rehabeam nu, de zoon van Salomo, was koning over Juda.” (1 Kon 14:21) Er was geen co-heerschappij tussen beide.
  • “Josafat, de zoon van Asa, was koning geworden over Juda in het vierde jaar van Achab, de koning van Israël.” (1 Kon 22:41) Asa wordt geen koning genoemd. In de chronologie van Thiele en Young regeerde Josafat samen met Asa, maar in de Bijbel staat duidelijk dat Josafats co-heerser zijn zoon was, Jehoram:
  • “In het vijfde jaar van Joram, de zoon van Achab, de koning van Israël, toen Josafat koning was van Juda, begon Jehoram, de zoon van Josafath, de koning van Juda, te regeren.” (2 Kon 8:16) Dit is een dubbele bevestiging van Josafats status op het moment dat Joram begon te regeren.
  • “In het twaalfde jaar van Joram, de zoon van Achab, de koning van Israël, begon Ahazia, de zoon van Jehoram, de koning van Juda, te regeren.” (2 Kon 8:25) “Zo werd Ahazia, de zoon van Jehoram, koning van Juda, koning.” (2 Kro 22:1) In beide verzen regeerde Jehoram nog toen Ahazia gekroond werd, en in het onderstaande was Ahazia co-regent.
  • “In het tweede jaar van Joas, de zoon van Joahaz, de koning van Israël, werd Amazia koning, de zoon van Joas, de koning van Juda.” (2 Kon 14:1) In Thieles en Youngs chronologie waren Amazia en Joas geen co-heersers, maar naar mijn idee waren ze dat wel; zie onder.
  • “In het zevenentwintigste jaar van Jerobeam, de koning van Israël, werd Azaria (Uzzia) koning, de zoon van Amazia, de koning van Juda.” (2 Kon 15:1) Deze co-heerschappij was er zowel volgens Thiele, Young als mij.
  • “In het tweede jaar van Pekah, de zoon van Remalia, de koning van Israël, werd Jotham koning, de zoon van Uzzia, de koning van Juda.” (2 Kon 15:32) Deze co-heerschappij was er zowel volgens Thiele, Young als mij.
  • “In het zeventiende jaar van Pekah, de zoon van Remalia, werd Achaz koning, de zoon van Jotham, de koning van Juda.” (2 Kon 16:1) Deze co-heerschappij was er zowel volgens Thiele, Young als mij.
  • “Het gebeurde nu in het derde jaar van Hosea, de zoon van Ela, de koning van Israël, dat Hizkia koning werd, de zoon van Achaz, de koning van Juda.” (2 Kon 18:1) Zowel volgens Thiele, Young als mij begon Hizkia als co-regent.

Voor de andere koningen van Juda ontbreekt een notitie over de vader op het moment dat ze koning werden. Deze korte informatie over de status van de vader op het moment dat iemand gekroond werd, ontbreekt voor de heersers van Israël. Dat is inclusief degene van wie wel een co-heerschappij bekend is. Het waren dus notities die alleen bestonden in de kronieken van Juda en zo zijn overgenomen door degene die 1 en 2 Koningen heeft geschreven.

Rehabeam (Juda)

17 maart/10 september 931-10 maart/2 september 914
jaar 1: 1 tisjri 931-1 tisjri 930
jaar 17: 1 tisjri 915-1 tisjri 914

Rehabeam regeerde 17 jaar (1 Kon 14:21).

Volgens Young is niet bekend in welk deel van het jaar tussen 1 tisjri 932 en 1 tisjri 931 Salomo stierf. 3 Maar dat kan je wel weten. Jerobeam I, die inclusief telde, begon zijn eerste jaar met 1 nisan in 931. Als Salomo in het halve jaar 1 tisjri 932-1 nisan 931 was gestorven, was Jerobeams jaar 1 met 1 nisan in 932 begonnen.

Relatie met Egypte

Rehabeam werd verslagen door Sisak, de koning van Egypte. In mijn chronologie is dit Ramses III (937-906).

Jerobeam I (Israël)

17 maart/10 september 931-19 september 910/12 maart 909
jaar 1: 1 nisan 931-1 nisan 930
jaar 22: 1 nisan 910-1 nisan 909

Hij regeerde 22 jaar (1 Kon 14:20).

Jerobeam was oorspronkelijk een dienaar van Salomo. Toen hij in opstand kwam wilde Salomo hem doden, waarop hij naar Egypte vluchtte, naar koning Sisak (ofwel Ramses III, 937-906). Daar bleef hij tot Salomo was gestorven. (1 Kon 11:26, 40)

Volgens de Septuagint was zijn vrouw Ano, een Egyptische prinses; zie hier.

Abia (Juda)

10 maart/2 september 914-10 september 912/6 maart 911
jaar 1: 1 tisjri 914-1 tisjri 913
jaar 3: 1 tisjri 912-1 tisjri 911

Hij werd koning in het 18e jaar van Jerobeam, en regeerde 3 jaar (1 Kon 15:1-2). Jerobeams 18e jaar is 1 nisan 914-1 nisan 913; doordat Abia’s eerste jaar begon op 1 tisjri 914 blijft de periode 1 nisan-1 tisjri 914 over voor zijn troonsbestijging en Rehabeams dood.

Asa (Juda)

10 september 912/6 maart 911-8 september 871/1 april 870
jaar 1: 1 tisjri 911-1 tisjri 910
jaar 41: 1 tisjri 871-1 tisjri 870

Asa was koning vanaf het 20e jaar van Jerobeam, en regeerde 41 jaar (1 Kon 15:9-10). Het 20e jaar is 1 nisan 912-1 nisan 911, waarvan alleen het tweede deel samenvalt met Abia’s laatste jaar. Asa werd dus koning tussen 1 tisjri 912 en 1 nisan 911.

Relatie met Egypte

Asa voerde oorlog in 901. Zijn tegenstander wordt niet genoemd, maar dit was waarschijnlijk Userkhau, de “opzichter van de noordelijke buitenlanden” onder Ramses IV (906-900), die in 901 oorlog voerde in het noorden.

Rond 897 versloeg Asa Zerah, de Cusjiet, naar mijn mening de Egyptische onderkoning van Cusj onder Ramses V (900-896). Hij heette dan waarschijnlijk Hori.

Nadab (Israël)

19 september 910/12 maart 909-7 september 909/31 maart 908
jaar 1: 1 nisan 910-1 nisan 909
jaar 2: 1 nisan 909-1 nisan 908

Hij regeerde 2 jaar, vanaf het 2e jaar van Asa (1 Kon 15:25). Dat tweede jaar van Asa is 1 tisjri 910-1 tisjri 909; de overlap met Nadabs eerste jaar geeft 1 tisjri 910-1 nisan 909 voor de dood van Jerobeam en de kroning van zijn zoon Nadab. Hij regeerde daarom alleen twee jaar als je inclusief telt. Op de Nederlandse manier van tellen regeerde hij maximaal anderhalf jaar.

Baësa (Israël)

7 september 909/31 maart 908-22 september 886/18 maart 885
jaar 1: 1 nisan 909-1 nisan 908
jaar 24: 1 nisan 886-1 nisan 885

Hij roeide Jerobeams familie uit en werd koning in het 3e jaar van Asa, voor 24 jaar (1 Kon 15:33). Het derde jaar is 1 tisjri 909-1 tisjri 908, wat samen met het begin van Baësa’s jaar 1 de periode 1 tisjri 909-1 nisan 908 oplevert voor zijn troonsbestijging.

Voor mogelijke familieleden van hem, zie hier.

Ela (Israël)

22 september 886/18 maart 885-11 september 885/6 april 884
jaar 1: 1 nisan 886-1 nisan 885
jaar 2: 1 nisan 885-1 nisan 884

Baësa’s zoon werd koning in het 26e jaar van Asa en regeerde 2 jaar (1 Kon 16:8). Het 26e jaar was 1 tisjri 886-1 tisjri 885, zodat hij tussen 1 tisjri 886-1 nisan 885 op de troon moet zijn gekomen.

Zimri (Israël)

11 september 885/6 april 884

De profeet Jehu profeteerde aan Baësa dat heel het mannelijke deel van zijn familie zou worden uitgeroeid. Zimri begon met Ela en werd koning in zijn plaats, in het 27e jaar van Asa, voor 7 dagen (1 Kon 16:10, 15). Het 27e jaar van Asa was 1 tisjri 885-1 tisjri 884; Zimri’s korte regering moet tussen 1 tisjri 885-1 nisan 884 zijn geweest.

Afkomst

Van de usurpers in het tienstammenrijk wordt meestal de vader genoemd (Baësa 1 Kon 15:27, Tibni 1 Kon 16:21, Sallum 2 Kon 15:10, Menahem 2 Kon 15:14, Pekah 2 Kon 15:25, Hosea 2 Kon 15:30), behalve bij Omri (1 Kon 16:16) en Zimri (1 Kon 16:9). Dat is opvallend en kan betekenen dat ze niet zomaar mensen uit het volk van Israël waren. Voor de mogelijke vader van Omri, zie onder, bij Jehu.

Het is daarom mogelijk om Zimri te identificeren met Zimri, de derde zoon van Jehoadda (Jaëra), de zoon van Achaz, de vierde zoon van Micha, de zoon van Mefiboseth (Merib-Baäl), de zoon van Jonathan, de zoon van Saul (1052-1011) (1 Kro 8:34-36, 9:40-42). Mefiboseth was 5 jaar toen Saul en Jonathan omkwamen (2 Sam 4:4) en werd dus geboren in 1016. Met 20 jaar per generatie, en 30 jaar voor Jehoadda en Achaz die de jongsten waren, werd Zimri geboren rond 916. Dat maakt hem ongeveer 30 jaar oud toen Zimri koning werd.

Tibni (Israël)

11 september 885/6 april 884-27 september 881/16 september 880

Na de dood van Zimri, in het 27e jaar van Asa (1 Kon 16:15-18), raakten de Israëlieten verdeeld. De ene helft stond achter een zekere Tibni, de zoon van Ginath, en de andere helft achter Omri, die Zimri na de moord op Ela had aangevallen (1 Kon 16:21).

Tibni was mogelijk een neef van Ela.

Uiteindelijk was Omri’s aanhang sterker dan die van Tibni (voor een mogelijke reden, zie hier), en toen Tibni stierf werd hij koning, in het 31e jaar van Asa (1 Kon 16:22-23). Het 31e jaar van Asa is 1 tisjri 881-1 tisjri 880. Van alle dateringen na de scheuring van Salomo’s rijk is dit pas de eerste die niet tot een half jaar nauwkeurig berekend kan worden.

Omri (Israël)

11 september 885/6 april 884-11 september 874/3 april 873
jaar 1: 1 nisan 885-1 nisan 884
jaar 12: 1 nisan 874-1 nisan 873

Hij werd koning toen Zimri was gestorven (1 Kon 16:15-21) en regeerde 12 jaar (1 Kon 16:23). Nadat hij zes jaar in Tirza had geregeerd bouwde hij een nieuwe hoofdstad, Samaria (1 Kon 16:23-24), waar bijna al zijn opvolgers zouden regeren.

Voor zijn afkomst en mogelijke nakomelingen, zie hier.

Achab (Israël)

11 september 874/3 april 873-24 maart/17 september 853
jaar 1: 1 nisan 874-1 nisan 873
jaar 22: 1 nisan 853-1 nisan 852

Achab werd koning in jaar 38 van Asa en regeerde 22 jaar (1 Kon 16:29). Het 38e jaar was 1 tisjri 874-1 tisjri 873; hij moet tussen 1 tisjri 874-1 nisan 873 gekroond zijn.

De slag van Qarqar

In jaar 6 (853/2), het jaar dat vernoemd was naar Dayyan-Aššur, vocht de Assyrische koning Salmaneser III bij Qarqar tegen een coalitie van twaalf koningen uit de Levant. Twee van hen waren Adad-idri (Hadadezer), de koning van Damascus, en Aḫabbu van Sirʾalāya (Achab de Israëliet). Dit vermeldt Salmaneser ook in een inscriptie in Nimrud. 4 Salmaneser III stak volgens zijn tekst de Eufraat over tijdens de vloed, op vlotten van geitenhuiden, wat de lente was. Dat geeft Achab genoeg tijd om na zijn strijd tegen Salmaneser nog samen met Josafat te vechten tegen Ramoth in Gilead, voor hij uiterlijk op 17 september 853 sneuvelde (1 Kon 22:29, 34-35).

De slag van Qarqar staat niet in de Bijbel. Dat is niet heel verrassend als het alleen een politieke strijd was; de Bijbel gaat over geloof.

Josafat (Juda)

8 september 871/1 april 870-1 oktober 846/18 september 845
jaar 1: 1 tisjri 870-1 tisjri 869
jaar 25: 1 tisjri 846-1 tisjri 845

Josafat werd koning in het 4e jaar van Achab, en regeerde 25 jaar (1 Kon 22:41-42). Dit 4e jaar was 1 nisan 871-1 nisan 870; hij werd daarom gekroond tussen 1 tisjri 871-1 nisan 870, toen zijn vaders laatste jaar nog maar net was begonnen.

Volgens Thiele en Young had hij een co-heerschappij met zijn vader en werd zijn zoon, Jehoram, pas koning na zijn dood. Dat spreekt de Bijbel tegen: “In het vijfde jaar van Joram … van Israël, toen Josafat koning was van Juda, begon Jehoram, de zoon van Josafat … te regeren.” (2 Kon 8:16) Josafats co-heerschappij was met zijn zoon, niet met zijn vader.

Voor de mogelijkheid dat zijn vrouw, de in de Bijbel niet genoemde moeder van Jehoram, een dochter was van Omri, zie hier.

Jehoram (Juda)

co-regent vanaf 30 september 854/17 september 853
koning 30 maart/21 september 848-12 maart/4 september 841
jaar 1: 1 tisjri 849-1 tisjri 848
jaar 8: 1 tisjri 842-1 tisjri 841

Hij regeerde 8 jaar (2 Kon 8:17).

Joram van Israël werd koning in het 2e jaar van Jehoram van Juda (2 Kon 1:17), wat ook het 18e jaar van Josafat was (2 Kon 3:1). Omdat Jehoram weer in het 5e jaar van Joram koning werd (2 Kon 8:16), zal het 2e jaar de telling van een co-regentschap zijn. Dankzij de synchronisatie met Josafat kan de kroning van Joram tussen 1 nisan-1 tisjri 852 worden geplaatst; jaar 1 van Jehorams co-regentschap, wat net als co-heerschappijen inclusief zal zijn geteld, was daarom 1 tisjri 854-1 tisjri 853.

Het 5e jaar van Joram is 1 nisan 848-1 nisan 847. Joram regeerde 12 jaar, en doordat in de overgebleven 7 jaar zowel Jehorams 8 jaar als Ahazia van Juda’s enige jaar moeten passen, wordt duidelijk dat Jehoram en Ahazia, in tegenstelling tot de eerdere koningen van Juda, inclusief telden en dat Jehorams eerste jaar 1 tisjri 849-1 tisjri 848 was. Dankzij de synchronisatie met Joram blijft de periode 1 nisan-1 tisjri 848 over voor zijn kroning.

Jehoram was de co-heerser van Josafat (2 Kon 8:16). In 2 Kronieken staat dat hij koning werd na de begrafenis van Josafat (21:1), maar ook: “Toen Jehoram het koningschap van zijn vader overgenomen had (Letterlijk: over het koningschap van zijn vader opgestaan was)” (vers 4). De letterlijke tekst geeft wel aan dat hij co-heerser was.

Ahazia (Israël)

24 maart/17 september 853-14 maart/6 september 852
jaar 1: 1 nisan 853-1 nisan 852
jaar 2: 1 nisan 852-1 nisan 851

Hij werd koning in het 17e jaar van Josafat en regeerde 2 jaar (1 Kon 22:52). Het 17e jaar is 1 tisjri 854-1 tisjri 853; de overlap met het sterfjaar van Achab is 1 nisan-1 tisjri 853.

Joram (Israël)

14 maart/6 september 852-12 maart/4 september 841
jaar 1: 1 nisan 852-1 nisan 851
jaar 12: 1 nisan 841-1 nisan 840

Na de dood van zijn broer Ahazia werd hij koning in het 18e jaar van Josafat, voor 12 jaar (2 Kon 3:1). Het 18e jaar is 1 tisjri 853-1 tisjri 852, hij werd dus gekroond tussen 1 nisan-1 tisjri 852. Voor het vers waarin hij koning werd in het 2e jaar van Jehoram van Juda (1 Kon 1:17), zie Jehoram.

Hij stierf tegelijk met Ahazia van Juda (2 Kon 9:24-27). Voor de datering, zie Ahazia.

In zijn tijd werd Hazaël koning van Damascus door zijn heer, koning Benhadad, te vermoorden. Dat wordt bevestigd door de Assyriërs.

Relatie met Egypte

In zijn tijd heersten “de koningen van de Egyptenaren”, die een groot leger bezaten (2 Kon 7:6). Er word verder niks over hen gezegd, dus hun namen kunnen alleen door de chronologie naar voren komen.

In mijn chronologie zijn dit Ramses XI (876-minstens 841) van dynastie XX, en Amenemope (854-845) of zijn opvolger Osorkon (845-839) van dynastie XXI.

Ahazia (Juda)

co-regent vanaf 24 maart/16 sptember 842
koning 12 maart/4 september 841
jaar 1: 1 tisjri 842-1 tisjri 841

Hij werd koning in zowel jaar 11 van Joram van Israël (2 Kon 9:29) als jaar 12 (2 Kon 8:25), en regeerde 1 jaar (2 Kon 8:26). Net als zijn vader Jehoram werd hij twee keer koning. De eerste keer zal hij net als zijn vader co-regent zijn geweest.

Ahazia was 22 toen hij koning werd (2 Kon 8:26), maar ook 42 (2 Kro 42:2). Het laatste kan niet zijn fysieke leeftijd zijn geweest, want zijn vader werd slechts 39. Als hij echt 22 was zijn de 42 gerekend vanaf een tijdperk. De Israëlieten rekenden daar vaker mee; Saul (1052-1011) was bijvoorbeeld één jaar oud toen hij koning werd (1 Sam 13:1), maar duidelijk een volwassen man.

Ahazia hoorde bij het koningshuis van Achab (2 Kon 8:26-27), en naar mijn en Youngs mening komt daar de 42 jaar vandaan. Omri werd koning tussen 1 tisjri 885 en 1 nisan 884; op de Judeese manier van tellen begon jaar 1 met het nieuwe jaar voor koningen op 1 tisjri 884, en eindigde jaar 42 op 1 tisjri 842. Als je dat combineert met het 11e jaar van Joram van Israël, 1 nisan 842-1 nisan 841, blijkt dat Ahazia tussen 1 nisan-1 tisjri 842 co-regent werd. Dat kan komen door de ziekte van zijn vader, die stierf nadat zijn ingewanden naar buiten kwamen (2 Kro 21:19).

Ahazia werd alleenheerser in het 12e jaar van Joram van Israël, 1 nisan 841-1 nisan 840. Het zal na de dood van zijn vader zijn geweest in diens jaar 8, dus tussen 1 nisan-1 tisjri 841. Doordat hij inclusief telde moet ook hij voor 1 tisjri 841 zijn gestorven. In totaal regeerde hij daarom maximaal 6 maand.

Jehu, afbeeld op de Black Obelisk van de Assyrische koning Salmaneser III 5

Jehu (Israël)

12 maart/4 september 841-7 september 814/1 april 813
jaar 1: 1 nisan 841-1 nisan 840
jaar 28: 1 nisan 814-1 nisan 813

Jehu werd hoogstens een paar dagen voor de dood van Joram en Ahazia van Juda gezalfd tot koning (2 Kon 9:6-8), wat dankzij Ahazia’s datering tussen 1 nisan-1 tisjri 841 kan worden geplaatst. Jehu regeerde 28 jaar (2 Kon 10:36) en telde nog steeds inclusief.

Vanaf zijn tijd werd ook in Israël exclusief geteld.

Assyrië

Iaua (mia-ú-a) de zoon van Omri (DUMU-mḫu-um-ri-i, mar-Ḫumrî) betaalde tribuut aan Salmaneser III, de koning van Assyrië, in diens jaar 18 (841/0). 6 Een net iets andere versie van deze tekst schrijft zijn naam als mia-a-ú 7, en een reconstructie van weer een variant, die helaas nogal beschadigd is, heeft mia-ú. 8

Wat Jehu precies gaf noemt Salmaneser ergens anders: “I received tribute from Jehu (Iaua) of the house of Omri (mar-Ḫumrî): silver, gold, a gold bowl, a gold tureen, gold vessels, gold pails, tin, the staffs of the king’s hand, (and) spears.” 9

Voor Jehu’s afstamming van Omri, zie hier.

Relatie met Syrië

“In die dagen begon de HEERE Israël kleiner te maken, want Hazaël (de koning van Syrië) versloeg hen in alle gebieden van Israël vanaf de Jordaan, waar de zon opkomt: het hele land van Gilead”. (2 Kon 10:30-33a).

Voor Hazaël, en de plaatsing van de periode waarin Jehu machtig was en veel deed (2 Kon 10:34) in de tijd dat Assyrië de macht in Syrië kwijtraakte, zie hier.

Athalia (Juda)

12 maart/4 september 841-4 april/28 september 835
jaar 1: 1 tisjri 842-1 tisjri 841
jaar 7: 1 tisjri 836-1 tisjri 835

Ze was geen lieve oma die haar kleinkinderen knuffelde. Na de dood van haar zoon Ahazia tussen 1 nisan-1 tisjri 841, “stond zij op en bracht zij heel het koninklijk nageslacht om.” Van deze koningskinderen werd alleen Joas gered; Ahazia’s zus Joseba verborg hem in de tempel, 6 jaar lang, terwijl Athalia over het land regeerde. (2 Kon 11:2-3) In jaar 7 werd Joas tot koning uitgeroepen (vers 4) en Athalia vermoord (vers 16).

Joas (Juda)

4 april/28 september 835-28 september 797/24 maart 796
jaar 1: 1 tisjri 836-1 tisjri 835
jaar 40: 1 tisjri 797-1 tisjri 796

Hij werd koning in het 7e jaar van Jehu en regeerde 40 jaar (2 Kon 12:1). Het 7e jaar is 1 nisan 835-1 nisan 836; het was daarom in de laatste helft van Athalia’s jaar 7, 1 nisan-1 tisjri 835, dat ze vermoord werd en Joas op de troon geplaatst.

Tijdens zijn regering werd de inclusieve telling in Juda weer gestopt.

Voor de enorme prijs die hij koning Hazaël van Syrië betaalde om Jeruzalem niet in te nemen (2 Kon 12:17-18), zie hier. Voor de identiteit van de anonieme Syrische koning wiens leger Jeruzalem plunderde (2 Kro 24:23-24), zie hier.

Seder Olam Rabbah

De Seder Olam Rabbah is een Joodse chronologie uit de tweede eeuw n.Chr. en niet altijd even betrouwbaar. Maar dat er in die tijd meer informatie beschikbaar was over de koningen van Juda dan nu, blijkt uit een opmerking over Joas: “In Joash’ 23rd year did he renovate the Temple; that makes 155 years from the time that Solomon built it until Joash renovated it.” 10

Jaar 1 is Salomo’s jaar 4 (1 Kon 6:1), ofwel 968/7. Jaar 155 is op een inclusieve telling 814/3, ofwel Joas’ 23e jaar. Dat past precies.

Relatie met Egypte

Aan het eind van zijn regering, in 798/7, viel Shoshenq I (819/8-797) Juda en Israël aan. Dit was een vergeldingsactie, want Juda had hem aangevallen, mogelijk met de hulp van Israël. Deze aanval is mogelijk het niet beschreven plan is dat Juda had aan het eind van Joas’ regering (2 Kro 24:20).

Joahaz (Israël)

28 september 816/24 maart 815-3 september 800/27 maart 799
jaar 1: 1 nisan 816-1 nisan 815
jaar 17: 1 nisan 800-1 nisan 799

Joahaz werd koning in het 23e jaar van Joas en regeerde 17 jaar (2 Kon 13:1). Het 23e jaar is 1 tisjri 814-1 tisjri 813, en zijn vaders laatste jaar was 1 nisan 814-1 nisan 813; Joahaz volgde hem daarom tussen 1 tisjri 814-1 nisan 813 op.

Dat is helder en duidelijk. Wat minder logisch klinkt, is dat zijn opvolger koning werd in het 37e jaar van Joas (2 Kon 13:10); dat is slechts 14 jaar later. Daarom is het fijn dat Joahaz volgens Josephus koning werd in Joas’ 21e jaar 11. Het betekent dat hij twee jaar lang co-heerser was met zijn vader. Het 21e jaar is 1 tisjri 816-1 tisjri 815. Dat lost de grootste verwarring op, maar als zijn jaar 1 op 1 nisan 815 begon duurde zijn regering nog steeds te kort: 16 jaar in plaats van 17. Dit laatste verschil is te verklaren als co-heersers, zoals Thiele ontdekte, inclusief telden, zodat zijn jaar 1 met terugwerkende kracht begon op 1 nisan 816.

Joahaz werd daarom koning tussen 1 tisjri 816 en 1 nisan 815.

Deze co-heerschappij wordt genegeerd door Thiele en Young en levert andere dateringen op voor Joahaz, Jehu en Amazia.

Voor de verlosser waardoor het Israël van Joahaz uit de macht van de Syriërs kwam (2 Kon 13:5), zie hier.

In Samaria

In Samaria zijn ostraka gevonden met de vermelding van jaren 9-10, jaar 15 en mogelijk 17. Ze komen uit stratum (bewoningslaag) IV; stratum VI werd verwoest door de Assyriërs, die hun provinciehuis op de ruïnes bouwden. Logischerwijs horen de ostraca bij de dynastie van Jehu. 12 Daarvan regeerden alleen Jehu en Joahaz tot in jaar 17.

Joas (Israël)

3 september 800/27 maart 799-6 september 784/29 maart 783
jaar 1: 1 nisan 799-1 nisan 798
jaar 16: 1 nisan 784-1 nisan 783

Joas werd koning van Israël in het 37e jaar van Joas van Juda en regeerde 16 jaar. (2 Kon 13:10) Het 37e jaar is 1 tisjri 800-1 tisjri 799, en zijn vader stierf voor 1 nisan 799; hij werd dus gekroond tussen 1 tisjri 800-1 nisan 799.

Hij veroverde uit de handen van Benhadad, de koning van Syrië, de steden die iemand wiens naam niet is opgeschreven uit de macht van zijn vader Joahaz genomen had (2 Kon 13:24). Voor de identiteit van deze iemand, zie hier.

Voor zijn sterfperiode, zie Amazia.

Assyrië

Adad-narari III, koning van Assyrië, ontving het tribuut van miu-’a-su (Joas) KUR.sa-me-ri-na-a-a (van het land Samaria). 13 De stela waar dit op staat kan worden gedateerd op ca.797. 14 Om precies te zijn kan het 796 zijn, het eerste en tegelijk laatste jaar dat Adad-nirari na 805-802 weer oorlog voerde in het westen 15.

Relatie met Egypte

In 798/7 viel Shoshenq I (819/8-797) Juda en Israël aan, nadat Juda hem had aangevallen. Of dit net als bij Juda een vergeldingsactie was is onbekend, want het is onduidelijk of Joas meestreed met Juda.

Amazia (Juda)

10 september 798/3 april 797-19 september 769-14 maart 768
jaar 1: 1 tisjri 798-1 tisjri 797
jaar 29: 1 tisjri 770-1 tisjri 769

Amazia werd koning in het 2e jaar van Joas van Israël en regeerde 29 jaar. (2 Kon 14:1-2) Het 2e jaar is 1 nisan 798-1 nisan 797. Amazia’s vader leefde toen nog; hij was dus een co-heerser en werd daarom gekroond na het met terugwerkende kracht officiële begin van zijn regering. Omdat hij na de dood van Joas van Israël nog 15 jaar leefde (2 Kon 14:17) en er een netwerk aan chronologische connecties bekend is tussen zijn opvolger Uzzia en de opvolgers van Joas, zal Amazia gekroond zijn tussen 1 tisjri 798-1 nisan 797.

In jaar 12, 787/6, versloeg hij Edom. 16

Voor de datering van zijn oorlog tegen Israël, zie Uzzia.

Na de dood van Joas van Israël leefde Amazia nog 15 jaar (2 Kon 14:17). Amazia’s laatste jaar begon op 1 tisjri 769, dat van Joas op 1 nisan 784. Als deze 15 jaar exclusief geteld werden en het 15e jaar gelijk liep aan Amazia’s laatste jaar, stierf Joas tussen 1 tisjri 784-1 nisan 783 en Amazia tussen 1 tisjri 769 en 1 nisan 768.

Jerobeam II (Israël)

co-regent vanaf 14 maart 795/1 april 794
koning 16 september 785/11 maart 784-25 augustus/23 september 745
jaar 1: 1 nisan 785-1 nisan 784
jaar 41: 1 nisan 745-1 nisan 744

Zegel van jaspis met de tekst: “Belonging to Shema‘ servant of Yarob‘am”. Deze is gevonden in Megiddo in 1904. 17 Op het oorspronkelijke zegel stonden nog twee tekens, een palmblad(?) links van de leeuw en een ankh rechts. 18

Jerobeam II werd koning in het 15e jaar van Amazia en regeerde 41 jaar. (2 Kon 14:23) Het 15e jaar is 1 tisjri 784-1 tisjri 783. Dat past uitstekend bij de dood van zijn vader tussen 1 tisjri 784-1 nisan 783. Maar Jerobeam was al eerder co-heerser geworden: “En Joas ging te ruste bij zijn vaderen, en Jerobeam zat op zijn troon. Joas werd begraven in Samaria, bij de komingen van Israël.” (2 Kon 13:13) Jerobeam werd niet pas gekroond na de begrafenis van zijn vader, zoals meestal gedaan werd (2 Kon 10:35, 12:21, 13:9, 14:29, etc.), maar zat al op de troon.

De enige directe datering hiervan staat in de Seder Olam. Volgens de Seder Olam regeerde hij tegelijk met Uzzia, met het verschil dat Jerobeam een jaar regeerde toen zijn vader nog leefde. 16 Een indirecte datering staat in de Bijbel; waarvoor zie hieronder, bij Uzzia. Jerobeams eerste volledige jaar als koning was het laatste levensjaar van zijn vader. Dat betekent dat hij tussn 1 tisjri 785-1 nisan 784 gekroond werd.

Bulla, gemaakt met Shema’s zegel 19

Uzzia werd koning in jaar 27 van Jerobeam (2 Kon 15:1), wat met dank aan de datering van Amazia’s dood het jaar 1 nisan 769-1 nisan 768 moet zijn. Het jaar 27 werd duidelijk niet gerekend vanaf zijn co-heerschappij en zal betekenen dat hij eerst co-regent was. Het eerste jaar is 1 nisan 795-1 nisan 794. Zijn vader leefde toen nog, dus er zal inclusief geteld zijn.

Voor zijn sterfmaand, zie Zacharia. Ondanks dat hij 41 jaar regeerde lijkt het in onze jaartelling alsof hij slechts 39-40 jaar aan de macht was.

Verschil met Young

Hier is het derde verschil van mijn chronologie met die van Young. Ik dateer Jerobeams 41 jaar niet vanaf zijn co-regentschap, maar vanaf zijn co-heerschappij. Dat plaatst zijn laatste paar jaar in de tijd dat Jotham al koning was geworden van Juda en verklaart een vers dat in Youngs chronologie niet uitlegbaar is. Het was namelijk in de dagen van “Jotham, de koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, de koning van Israël”, dat de stam Gad werd ingeschreven in de geslachtsregisters (1 Kro 5:17). Jotham was al koning tijdens de inschrijving, maar volgens Young was hij nog steeds regent toen Jerobeam stierf.

Een ander gevolg van deze verschuiving is dat Jerobeams opvolgers Zacharia, Sallum, Menahem en Pekahia later in de tijd zitten. Dat betekent dat Pekah al een rivaal was toen Jerobeam nog leefde, wat weer een reden kan zijn waarom Jerobeam en Jotham samen de stam Gad inschreven; zo lieten ze hun macht over het gebied zien.

Een andere reden om Jerobeam II anders te plaatsen dan Thiele en Young doen, is het tribuut dat Menahem betaalde aan Tiglath-Pileser. In Youngs chronologie was Menahem tijdens het tribuut al overleden; met dit verschil niet. Zie bij Menahem.

Relatie met Egypte

Osorkon II (787-minstens 758) veroverde mogelijk Damascus en Hamath op hem.

Uzzia (Azarja) (Juda)

30 maart/24 september 783-6 april 732/25 maart 731
jaar 1: 1 tisjri 783-1 tisjri 782
jaar 52: 1 tisjri 732-1 tisjri 731

Voor- en achterkant van een zegel met de tekst: “Belonging to Shebanyau servant of ‘Uzziyau” 20

Uzzia heerste voor een tijd samen met zijn vader. Dat staat letterlijk in de Bijbel: “Hij (Azarja) was het die Eloth uitbouwde en het aan Juda terugbracht, nadat de koning bij zijn vaderen te ruste was gegaan.” (2 Kro 26:2) Deze koning kan alleen Amazia zijn.

Hij werd koning in jaar 27 van Jerobeam en regeerde 52 jaar. (2 Kon 15:1-2) Voor het jaar 27 als 1 nisan 769-1 nisan 768, zie Jerobeam II. Volgens Josephus werd Uzzia koning in het 14e jaar van Jerobeam. 21 Josephus heeft voor Jerobeam een jaar minder dan de Bijbel; in dezelfde paragraaf geeft hij Jerobeam 40 jaar, in plaats van 41. Jerobeam was 1 jaar co-heerser met zijn vader. Als Josephus dat eerste jaar niet meerekende en dat had weggerekend voor de berekening om tot het 14e jaar te komen, werd Uzzia eigenlijk gekroond in het 15e jaar. Dat past alleen in een telling vanaf Jerobeams alleenheerschappij en wordt dan 1 nisan 769-1 nisan 768. Dit is de enige manier waarop het past, want Amazia stierf tussen 1 nisan-1 tisjri 769.

Verschil met Young

Young dateert Uzzia ook tegelijk met zijn vader; met het bovenstaande vers is dat alleen maar te bevestigen. Uzzia werd door het volk van Juda gekroond. (2 Kro 26:1) Dat gebeurde bijna nooit. Met Young ben ik het eens dat hij gekroond zal zijn toen Amazia naar Lachis vluchtte, uit angst om vermoord te worden (2 Kro 25:27), omdat er anders geen koning was. Waar ik het niet mee eens ben is zijn datering van de vlucht.

Young dateert deze vlucht naar Lachis in Amazia’s jaar 7. Maar de gebeurtenis daarvoor, de plundering van Jeruzalem door Joas van Israël, wordt direct gevolgd door Joas’ dood (2 Kon 14:13-16), in 1 tisjri 784-1 nisan 783, waarvoor zie Amazia. Dat is de tweede helft van Amazia’s jaar 15. De vlucht zal dus daarna zijn geweest. Dat is niet alleen mijn conclusie, maar ook die van de schrijver van de Seder Olam Rabbah 16 en van Josephus, die de plundering in Amazia’s 14e jaar plaatst 22.

Zegel van onyx, met de tekst: “Belonging to Abiyau, servant of ‘Uzziyau.” 23

De datering van Uzzia’s opvolgers Jotham en Achaz hangt samen met die van Hizkia, en die van Hizkia kan niet eens met een maand worden gewijzigd; zie onder. Voor zover bekend hadden de koningen van Juda altijd maar één co-heerser. Uzzia zal daarom voor het begin van Achaz’ jaar 1, op 1 tisjri 731, zijn overleden. Door die strakke chronologie passen Uzzia’s 52 jaar alleen als jaar 1 begon op 1 tisjri 783, en kunnen Amazia’s vlucht naar Lachis en Uzzia’s kroning gedateerd worden in het halve jaar daarvoor.

Assyrië

Uzzia is te identificeren met Azriyau, die genoemd wordt door Tiglath-Pileser III, de koning van Assyrië. Zowel Uzzia als Azriyau, mogelijk de Azriyau die in een andere inscriptie de koning van Jaudi wordt genoemd, hadden Hamath in hun macht.

Relatie met Egypte

Osorkon II (787-minstens 758) schreef dat Beneden- en Boven-Retjenu aan zijn voeten lagen. Dit kan betekenen dat hij gebieden veroverde op Uzzia.

Jotham (Juda)

co-regent vanaf 774
koning 14 maart/7 september 749-15 maart/8 september 730
jaar 1: 1 tisjri 750-1 tisjri 749
jaar 16: 1 tisjri 735-1 tisjri 734
jaar 20: 1 tisjri 731-1 tisjri 730

Bulla, gevonden in de Stad van David, met de tekst “Van Jotham, dienaar van de koning”. Dit is mogelijk het zegel van Jotham als regent. 24

Jotham werd koning in het 2e jaar van Pekah, 1 nisan 749-1 nisan 748, en regeerde 16 jaar (2 Kon 15:32-33), maar Pekah werd weer vermoord in Jothams jaar 20 (2 Kon 15:30). Een en ander kan worden gecombineerd doordat Jotham al voor hij gekroond werd regent was voor zijn vader (2 Kon 15:5). Doordat voor co-heersers inclusief geteld werd zal hij koning zijn geworden in het laatste deel van jaar 1, 1 nisan-1 tisjri 749, en kreeg hij het volledige jaar meegerekend.

Voor het verschil tussen de 16 jaar en de aanwezigheid van een jaar 20, zie Achaz, die in jaar 16 co-heerser werd. Daar is een aanwijzing voor te vinden. In Jothams tijd kwamen Rezin van Syrië en Pekah van Israël op Juda af (2 Kon 15:36-38), maar het is pas in Achaz’ koningschap dat Rezin en Pekah op Juda afkwamen (2 Kon 16:5).

Omdat zijn 20e jaar nog wordt genoemd en Pekah in de eerste helft daarvan stierf, zie bij hem, denk ik dat hij in het tweede halfjaar stierf.

Volgens de Seder Olam was hij 25 jaar regent voor zijn vader (774-749). 16 Hij was ook 25 toen hij koning werd (2 Kon 15:33), dus hij werd al toen hij nog een baby was uitgeroepen tot regent. Dat is minder vreemd dan het lijkt. Ook Manasse, de oudste en lang op gehoopte zoon van Hizkia, was hoogstens een jaar oud toen hij co-heerser werd.

De val van Ninevé

Volgens Josephus was het tijdens Jothams regering dat Nahum profeteerde over het einde van Ninevé, een van de hoofdsteden van Assyrië; Ninevé viel ongeveer 115 jaar later. 25 Om precies te zijn viel Ninevé na een belegering die duurde van de maand simanu in jaar 14 van Nabopolassar, 28 mei-25 juni 612, tot in abu, 26 juli-24 augustus 612. 26 115 jaar daarvoor was het de zomer van 727. Dat is op een exclusieve telling slechts 2 jaar nadat Jotham was gestorven, dus ongeveer 115 jaar.

Volgens de Seder Olam daarentegen profeteerde Nahum in de tijd van Manasse, wat niet vermeld wordt omdat Manasse niet goed was; de profeten die tegen hem spraken worden niet bij naam genoemd (2 Kr 33:10-11). 27 Manasse regeerde alleen 698/7-643/2, zie onder, wat veel minder dan 115 is voor de val van Ninevé.

Zacharia (Israël)

25 augustus/23 september 745-18 februari/19 maart 744

Zacharia werd koning in het 38e jaar van Uzzia en regeerde slechts 6 maand. (2 Kon 15:8) Het 38e jaar is 1 tisjri 746-1 tisjri 745. Hij zal net voor tisjri 745 koning zijn geworden, want zijn opvolger was op 1 nisan 744 nog maar net aan de macht. Doordat het koninklijke jaar in het tienstammenrijk op 1 nisan begon kan het dus gebeuren dat iemand die slechts een zesde van Zacharia’s tijd regeerde, toch een jaar 1 haalde, en Zacharia niet.

Sallum (Israël)

18 februari/19 maart-20 maart/17 april 744
jaar 1: 1 nisan 744-1 nisan 743

Sallum sloeg Zacharia neer in aanwezigheid van het volk en doodde hem (2 Kon 15:10). In het 39e jaar van Uzzia werd hij koning, voor 1 maand (2 Kon 15:13). Het 39e jaar is 1 tisjri 745-1 tisjri 744.

Zijn opvolger werd ook koning in Uzzia’s 39e jaar, voor 10 jaar (2 Kon 15:17); maar diens opvolger begon in Uzzia’s 50e jaar (2 Kon 15:23). De conclusie van Thiele en Young is dat Sallum daarom op 1 nisan, 20 maart 744, aan de macht was, zodat Menahem al een maand of 11 op de troon zat voor hij jaar 1 bereikte.

Menahem (Israël)

20 maart/17 april 744-22 september 734/17 maart 733
jaar 1: 1 nisan 743-1 nisan 742
jaar 10: 1 nisan 734-1 nisan 733

Menahem werd koning in Uzzia’s 39e jaar en regeerde 10 jaar (2 Kon 15:17). Het 39e jaar is 1 tisjri 745-1 tisjri 744. Zijn zoon werd koning in Uzzia’s 50e jaar (2 Kon 15:23); als Menahem dus 10 keer een jaarwisseling meemaakte als koning kan hij alleen na 1 nisan 744 aan de macht zijn gekomen.

Assyrië

Pul, de koning van Assyrië, trok tegen Israël op, en Menahem betaalde 1000 talent zilver “zodat deze op zijn hand zou zijn (letterlijk: opdat diens handen met hem zouden zijn) om het koninkrijk vast te doen zijn in zijn hand.” Daarna keerde Pul terug naar Assyrië en kwam niet meer terug. (2 Kon 15:19-20) Dit op de hand zijn is vermoedelijk een verwijzing naar Pekah, die tijdens Menahems regering al koning was in een ander deel van Israël.

Tiglath-Pileser III van Assyrië (744-727) vermeldt het tribuut van mme-ni-ḫi-im-me (Menahem) URU.sa-me-ri-na-a-a (van de stad Samaria). 28 In een andere versie worden deze namen anders gespeld, als mme-ni-ḫi-me URU.sa-me-ri-i-na-a-a (dit hoort niet vetgedrukt te staan, maar ik krijg dat niet uitgeschakeld) 29, en in een andere lijst met tribuutbetalers van Tiglath-Pileser regeerde Menahem niet over de stad (URU), maar over het land (KUR) Samaria: mmi-ni-ḫi-im-˹me˺ KUR.sa-˹me˺-ri-i-na-a-˹a˺ 30.

Het ene tribuut staat in een koninklijke inscriptie over de campagne tegen Medië in 737, maar kan worden gedateerd op de campagne uit 740; het andere tribuut komt uit 738. 31 Alleen 740 al is een paar jaar na Thieles datering van Menahems dood in 742. Beide tributen vallen in mijn chronologie, dankzij de verschuiving van Uzzia en Jerobeam II een decennium naar het heden toe, in Menahems regering.

Pekahia (Israël)

22 september 734/17 maart 733-30 september 732/25 maart 731
jaar 1: 1 nisan 733-1 nisan 732
jaar 2: 1 nisan 732-1 nisan 731

Pekahia, de zoon van Menahem, werd koning in het 50e jaar van Uzzia en regeerde 2 jaar (2 Kon 15:23). Het 50e jaar is 1 tisjri 734-1 tisjri 733; dankzij de datering van zijn vaders laatste jaar zal hij tussen 1 tisjri 734-1 nisan 733 gekroond zijn.

Zijn opvolger werd koning in het 52e jaar van Uzzia (2 Kon 15:27), 1 tisjri 732-1 tisjri 731. Pekahia’s laatste jaar was begonnen op 1 nisan 732; hij moet in de laatste helft van dat jaar, tussen 1 tisjri 732-1 nisan 731, zijn gstorven.

Pekah (Israël)

6 april 751/25 maart 750-20 september 731/14 maart 730
tot 30 september 732/25 maart 731 als rivaal
jaar 1: 1 nisan 750-1 nisan 749
jaar 20: 1 nisan 731-1 nisan 730

Hij werd koning in het 52e jaar van Uzzia, 1 tisjri 732-1 tisjri 731, en regeerde 20 jaar (2 Kon 15:27). Uit het bovengenoemde vers kan je de conclusie trekken dat Pekahs 20 jaar direct na de dood van Pekahia kwamen. Dat is chronologisch gezien alleen niet haalbaar. Door de datering van de val van Samaria in 722 en het feit dat zijn opvolger 9 jaar regeerde, kan jaar 20 alleen 1 nisan 731-1 nisan 730 zijn. Hij regeerde dus slechts een korte tijd over het volledige tienstammenrijk. Het grootste deel van zijn twee decennia zal hij naast Jerobeam II en diens opvolgers hebben geregeerd. Dat is een conclusie die Thiele trok uit het boek Hosea, een van de kleinere profeten.

Hij werd vermoord in jaar 20 van Jotham (2 Kon 15:30), 1 tisjri 731-1 tisjri 730. Samen met de bovenstaande plaatsing van Pekahs eigen jaar 20 levert dit het halve jaar 1 tisjri 731-1 nisan 730 op voor zijn sterfperiode.

Bij opgravingen in Hazor is een fragment van een voorraadkruik gevonden, uit het midden van de 8e eeuw of de tweede helft van die eeuw. Erop staat de inscriptie: “To Peqaḥ. Sᵊmādar (een soort wijn)”. Dit is waarschijnlijk koning Pekah. 32

Voor een mogelijke reden waarom hij rivaal werd, en voor zijn mogelijke afstamming van Omri, zie hier.

Pekahs koninkrijk: Gods nieuwe begin

Hosea profeteerde in de dagen van Uzzia tot en met Hizkia, en tijdens Jerobeam II (Hos 1:1). Aan het begin van Hosea’s tijd was Salomo’s land nog verdeeld in tweeën, Israël en Juda (Hos 1:4, 6-7, 11), maar later gaat het over Efraïm, Israël en Juda (5:5, 9-10, 6:10-11, 8:11-14, 12:1). In deze periode waren er dus drie koninkrijken. In Hosea’s profetieën wordt het verhaal van Efraïm breed uitgemeten vanuit Gods perspectief. Niet een keer noemt Hij de naam van de koningen, maar wel wordt duidelijk dat Efraïm het er extra bijgekomen koninkrijk was dat uiteindelijk Israël overnam. Efraïm zal daarom Pekahs land zijn geweest.

Efraïm was het extra koninkrijk, want het God vond Israël al in de woestijn, toen ze achter Baäl-Peor aan liepen. Efraïm wordt bovendien vergeleken met een vogel die wegvliegt (9:10-11), een getemde jonge koe (10:11) en “een morgenwolk, ja, als een vroeg opkomende dauw die verdwijnt, als kaf dat van een dorsvloer wegstuift, en als rook uit een venster.” (13:3) Efraïm lijkt door God te zijn gesticht als een nieuw begin met mensen die alleen Hem aanbaden (11:1-4, 10:9-15). Ondanks dat Efraïm steunde op Assyrië (5:13, 7:11, 10:6) en leugens tegen God sprak (12:1), ging Hij, “de Heilige in uw midden”, met Efraïm door (11:9).

Maar op het punt waarop Israël als koninkrijk verdwenen is, en er alleen nog over Efraïm en Juda wordt gesproken (12:1) en over Efraïm in Israël (13:1), werd Efraïm God ontrouw in Gilgal (12:12, 13:2). Hij maakte bij de Heer een bittere toorn los (12:15). “Toen zij verzadigd waren, verhief hun hart zich.” (13:6) “Telkens wanneer Efraïm sprak, was er schrik, hij verhief zich in Israël; hij maakte zich echter schuldig aan de Baäl, en stierf.” (13:1) De naam Israël wordt in de rest van het boek alleen nog gebruikt voor stamvader Jakob (12:13) en het totale volk, alle Israëlieten (13:9-11).

“Door het zwaard zullen zij vallen,” (14:1) en zo is het gebeurd.

Tiglath-Pileser III

“In de dagen van Pekah, de koning van Israël, kwam Tiglath-Pileser (III, 744-727), de koning van Assyrië, en nam Ijon in, en ook Abel-Beth-Maächa, Janoah, Kedes, Hazor, Gilead, Galilea en het hele land van Naftali; en hij voerde de inwoners weg naar Assyrië. En Hosea, de zoon van Ela, smeedde een samenzwering tegen Pekah, de zoon van Remalia; hij sloeg hem neer, doodde hem en werd koning”. (2 Kon 15:29-30a)

Tiglath-Pileser III noemt deze gebeurtenissen in maar liefst vijf, helaas nogal beschadigde, inscripties. Voor de volledigheid:

  • “[I utterly demolished …] of sixteen dis[tricts of the land Bīt-Ḫumrî (huis van Omri, ofwel Israël). I carried off (to Assyria) …] capti[ves from …], 226 [captives from …, …] captives [from …], 400 [(and …) captives from …], 656 cap[tives from the city Sa…, …] (altogether) 13,520 [people, …], with their belongings. [I … the cities Arumâ (and) Marum, (…) which are] sit[uated in] rugged mountains.” 33
  • “[I] ut[terly demolished … of sixteen] districts of the land Bīt-Ḫum[ (KUR.É-˹ḫu?-um?˺-[ri?a?]). I carried off (to Assyria) … captives from the city] Ḫinatuna, 650 captives from the city Ku[…, … captives from the city Ya]ṭibate, 656 captives from the city Sa…[…, …, with their belongings. I …] the cities Arumâ (and) Marum […].” 34
  • “(As for) the land Bīt-Ḫumria (KUR.É-ḫu-um-ri-a), I brought [to] Assyria […, its “au]xiliary [army” …] (and) all of its people, […]. [I/they] killed Pekah (˹m˺pa-qa-ḫa), their king, and I placed Hosea (ma-ú-si-’i) [as king o]ver them. I received from them ten talents of gold, … talents of silver, [together with] their [proper]ty, and [I brou]ght them [to Assyria].” 35
  • “[The land Bīt-Ḫumria], all [of whose] cities I [utterly devastated i]n former campaigns of mine, whose […] (and) livestock I carried off, and (whose capital) Samaria I isola[ted] – (now) [they overthrew Peka]h ([mpa-qa]-˹ḫa˺), their king,” 36
  • “[I conquered the land Bīt-Ḫumr]î in [its] entire[ty (and) I brought] t[o Assyria …, together with] their [belon]gings. [… (and) I placed Hoshea as] king over them. [They/He brought … to the city] Sarrabānu, before me.” 37

Deze inscripties zijn helaas niet gedateerd. Young plaatst de gebeurtenissen in 732, maar dat is hier geen optie door de datering van de val van Samaria in 722. Pekah stierf daarom in 731/0. Dit is een jaar later. 732 is daarentegen een logisch jaar. Voor dat jaar en het voorgaande vermeldt de Assyrian Eponym Chronicle oorlogen van Tiglath-Pilesers tegen Damascus, in de buurt van Israël. Voor 731 staat een oorlog tegen Šapiya geregistreerd. Maar het is de vermelding van Sarrabanu, in de laatste van deze vijf inscripties, die de dood van Pekah toch in 731 kan plaatsen.

Tiglath-Pileser viel in 731 Mukin-zeri, de koning van Babylon, aan, en sloot hem op in Shapiya. Tiglath-Pileser claimt nergens dat hij Shapiya veroverde en noemt zelfs een tweede aanval op de stad in 729, maar het was hier dat Marduk-apla-iddina II (Merodach-Baladan) zich uitiendelijk aan hem onderwierp. 38 Ook in 731 39 werd Nabu-ushabshi, de leider van Sarrabanu (in de buurt van Shapiya), voor zijn stad verslagen en geëxecuteerd. De stad werd verwoest, de bewoners gedeporteerd. 40

Pekah stierf in de tweede helft van 731 en nadat Hosea koning was geworden, werd [een tribuut 41] naar Tiglath-Pileser in Sarrabanu gebracht. Het is dan niet in Israël, maar in Sarrabanu dat Hosea door Tiglath-Pileser bevestigd werd als koning van Bit-Humria. Wel is het mogelijk dat de deportatie van de vele Israëlieten in 733-732 gebeurde. In de vierde inscriptie hierboven staat tenslotte dat hij de steden van Israël in eerdere campagnes, die al afgelopen waren toen Pekah stierf, [verwoestte].

Achaz (Juda)

co-regent vanaf 2 september 743/20 september 742
co-heerser vanaf 30 maart/21 september 734
jaar 1: 1 tisjri 731-1 tisjri 730
jaar 16: 1 tisjri 716-1 tisjri 715

Bulla, gemaakt met het zegel waarop stond, “Belonging to Ahaz, son of Jotham, king of Judah”. 42

Achaz werd koning in het 17e jaar van Pekah, 1 nisan 734-1 nisan 733, en regeerde 16 jaar (2 Kon 16:1-12). Daarvoor was hij al co-regent. Toen Hosea in het halve jaar tussen 1 tisjri 731-1 nisan 730 naar de macht greep, was dat namelijk het 12e jaar van Achaz (2 Kon 17:1). Doordat voor co-heersers inclusief werd geteld zal Achaz net als zijn vader daarom in het laatste deel van jaar 1, 1 nisan-1 tisjri 734, aan de macht zijn gekomen.

Er is een intrigerend ander onderdeel van de puzzel. Jaar 1 van zijn zoon, Hizkia, begon op 1 tisjri 715; Achaz’ laatste jaar, jaar 16, moet dan 1 tisjri 716-1 tisjri 715 zijn. Maar als je dan doorrekent naar Achaz’ jaar 1 kom je uit op 1 tisjri 731-1 tisjri 730. Dat is 4 jaar na het begin zijn regering. De oplossing van dit raadsel ligt bij het vers waar Achaz’ vader Jotham niet 16, maar 20 jaar meegerekend krijgt (2 Kon 15:30). Als je doortelt voor Jotham was jaar 20 hetzelfde als Achaz’ jaar 1, dat berekend is vanaf 715, 1 tisjri 731-1 tisjri 730. Achaz was al eerder koning, dus er zal opnieuw inclusief geteld zijn.

Zegel van oranje carneool, met de tekst “Belonging to Ushnâ servant of Aḥaz” 43

Achaz zal zijn gestorven in de laatste maand voor nisan. Hizkia begon namelijk in nisan, na de dood van zijn vader, in alle haast om nog op tijd het Pascha te kunnen vieren (2 Kro 29:3-5, 16-17, 30:1-2).

Assyrië: Tiglath-Pileser III

Tiglath-Pileser ontving het tribuut van 26 koningen, waaronder mia-ú-ḫa-zi (Joahaz) KUR.ia-ú-da-a-a (van het land Juda). 44 Dit tribuut staat vermeld na de westelijke campagnes van 734/3-732/1, maar kan worden gedateerd in de campagne van 734/3 of 733/2. 31 Door de datering kan dit alleen Achaz zijn. Het tribuut wordt vermeld in de Bijbel (2 Kon 16:8).

Jo- is een afkorting van Gods naam. Achaz kan een afkorting zijn van Joahaz, of Jo- staat niet in de Bijbel omdat wat hij deed, niks met God te maken heeft (2 Kon 16:2-4), of hij kan Jo- uit zijn naam hebben gegooid toen zijn vader overleed.

Assyrië: Sargon II

Sargon II van Assyrië (721-705) schrijft in zijn Numrud Inscription over zichzelf: “who subjugated the land Judah, whose location is far away”. 45 Details geeft hij niet, het enige wat overblijft is zijn claim. Deze claim werd nog niet gemaakt in zijn inscripties uit 720, maar wel in deze inscriptie, die uit 716 komt. In 720 versloegen Sargons generaals een coalitie van verschillende staten in de Levant die verenigd waren onder Hamath, waarna ze Gaza aanvielen. Het is mogelijk dat Juda toen werd onderworpen. 46

Achaz onderwierp zich aan Tiglath-Pileser (2 Kon 16:7) en alle verzen die over zijn contact met Assyrië gaan, gaan over dat contact, dat slecht voor hem afliep (2 Kon 16:7-18, 2 Kro 28:16, 19-23). Daarentegen staat er niet dat Assyrië hem onderwierp. Tiglath-Pileser bracht hem alleen in het nauw (2 Kro 28:20, 22). Toch kon Hizkia in opstand komen tegen de koning van Assyrië en besluiten om hem niet te dienen (2 Kon 18:7). De enige mogelijkheid is dat Juda ooit werd veroverd door Sargon.

Sargon kan dus Juda hebben veroverd. Dit zal voor 713 zijn geweest, want toen betaalde Juda al tribuut aan hem; zie onder, bij Hizkia.

Damascus

Toen Rezin, de koning van Syrië, en Pekah tegen hem ten strijde trokken “stuurde Achaz boden naar Tiglath-Pileser (III, 744-727), de koning van Assyrië, om te zeggen: Ik ben uw dienaar en uw zoon. Kom en verlos mij uit de hand van de koning van Syrië en uit de hand van de koning van Israël, die mij aan willen vallen.” Hij stuurde een geschenk van veel zilver en goud naar Tiglath-Pileser, die daarop Damascus innam, de inwoners afvoerde naar Kir en Rezin doodde. Daarop ontmoette Achaz Tiglath-Pileser in Damascus. (2 Kon 16:5-10)

Tiglath-Pileser noemt in verschillende inscripties in totaal twee oorlogen tegen Damascus. In de eerste wordt Raḫiānu (mra-ḫi-a-ni, Rezin) opgesloten in Damascus, in de tweede voegde hij Damascus toe aan Assyrië en plaatste er een van zijn eunuchen als gouverneur:

  1. “[of] Raḫiānu [of the land Damascus … I carried off his he]avy [booty. …] his advisor [… With the blood of his] war[riors I] dyed the […] River, [… a] raging [torrent], red [like a fl]ower. [I …] his [lead]ers, charioteers, and […]. I broke their weapons. I cap[tur]ed … their horses, [their] mul[es], his [war]riors, arches, (as well as his) shield [bea]rers (and) lancers, and [I disper]sed their battle array.
    In order to save his life, he (Raḫiānu) fled alone and entered the gate of his city [like] a mongoose. I [im]paled his foremost men alive while making (the people of) his land watch. For forty-five days I set up my camp [aro]und his city and confined him (there) like a bird in a cage. I cut down his plantations, […] …, (and) orchards, which were without number; I did not leave a single one (standing).
    I surrounded (and) captured [the city …]ḫādara, the ancestral home of Raḫiānu of the land Damascus, [the pl]ace where he was born.
    I carried off 800 people, with their possessions, their oxen, (and) their sheep and goats. I carried off 750 captives from the cities Kuruṣṣâ (and) Samāya, (as well as) 550 captives from the city Metuna. Like tell(s) after the Deluge, I destroyed 591 cities of 16 districts of the land Damascus.” 47
  2. “I annexed [to Assyria the extensive land of Bīt-Ḫazā-il ([KUR.É]-˹m˺ḫa-za-a’-i-li, Huis van Hazaël, ofwel Damascus) in its entirety, from Mount Leb]anon as far as the cities Gilea[d (and) Abil-šiṭṭi, which are on the border of the land Bīt-Ḫumrî (Israel), (and) I placed] a eunuch of mine [as provincial governor over them].” 48

Tiglath-Pileser beschrijft hier niet één oorlogen, maar twee. Bij de eerste schrijft hij niet dat Rezin stierf en neemt hij alleen het gebied van Damascus in, bij de in de Bijbel bedoelde oorlog stierf Rezin en werd Damascus ingenomen. Tiglath-Pilesers tweede beschrijving is dan een samenvatting van het einde van Rezin en zijn land.

De inscripties zijn helaas niet gedateerd, maar de Assyrian Eponym Chronicle vermeldt voor zowel 733 als 732 een oorlog in Damascus. Beide vallen binnen Achaz’ jaren als co-heerser. Dat past uitstekend. Het was in zowel de tijd van Achaz’ vader, Jotham, (2 Kon 15:36-38) als in die van Achaz (2 Kon 16:5) dat Rezin Juda aanviel.

Hosea (Israël)

26 maart 731/15 maart 730-17 maart/10 september 722
jaar 1: 1 nisan 730-1 nisan 729
jaar 9: 1 nisan 722-1 nisan 721

Zegel: “Belonging to Abdi, servant of Hoshea”. Abdi is een afkorting van Obadja. 49

Hij werd koning in het 12e jaar van Achaz, en regeerde 9 jaar (2 Kon 17:1). Het 9e jaar werd al vroeg afgebroken door de val van Samaria, maar werd als volledig voor hem gerekend. Dat is keurig in lijn met de andere dateringen. Voor het 12e jaar, zie Achaz.

De val van Samaria, in jaar 9 van Hosea, is te dateren in 722.

So was waarschijnlijk Osorkon III (727-699/8), die Heracles genoemd werd door Manetho. In een versie van de Septuagint daarentegen staat dat Hosea hulp zocht bij Adramelech, de Ethiopiër die in Egypte leefde. Dit kan niemand anders zijn dan Piye (743-712).

Assyrië

Tiglath-Pileser schrijft dat nadat Paqaha (Pekah) was vermoord, hij Ausi (Hosea) over Israël aanstelde. Hiervoor, en voor [het tribuut] dat Hosea of een groep Israëlieten in 731 in Sarrabanu in het huidige Irak naar Tiglath-Pileser bracht, zie Pekah.

Hosea betaalde jaarlijks een tribuut aan Salmaneser, de koning van Assyrië (2 Kon 17:4). Dit tribuut wordt vermeld door Salmanesers opvolger, Sargon II. Na zijn verovering van Samaria schreef hij: “I set a eunuch of mine over them and imposed upon them (the same) tribute (as) the former king (had paid).” 50

De val van Samaria

De val van Samaria is uitstekend te dateren, zowel in de Bijbel als in de bronnen van de Assyrische overheersers. Voor de Assyrische bronnen, zie de al vaker gelinkte post.

Het beleg van Samaria begon in het 7e jaar van Hosea, 1 nisan 724-1 nisan 723, ofwel het 4e jaar van Hizkia (2 Kon 18:9), en na verloop van 3 jaar, in het 9e jaar van Hosea, 1 nisan 722-1 nisan 721, ofwel het 6e jaar van Hizkia, werd Samaria ingenomen (2 Kon 18:10). De jaren van de koningen van Juda werden vanaf 1 tisjri gerekend, in de herfst, in plaats vanaf 1 nisan, in de lente. Daarnaast is uit Assyrische bronnen bekend dat Samaria voor 19 december 722 was gevallen. Jaar 4 van Hizkia zal daarom 1 tisjri 725-1 tisjri 724 zijn geweest, en jaar 6 1 tisjri 723-1 tisjri 722. Dit plaatst het begin van het beleg van Samaria tussen 1 nisan en 1 tisjri 724, ofwel 9 maart-1 september 724, en de val van Samaria tussen 1 nisan en 1 tisjri 722, ofwel 17 maart-10 september 722.

Na de val van Samaria

Kort na de val van Samaria kwamen de bewoners in opstand. Sargon beschrijft uitgebreid over zijn manier om de opstand de kop in te drukken: “Iaū-bi’dī of the land Hamath, a member of the lower class who had no right to the throne, an evil Hittite, plotted to become king of the land Hamath. He then incited the cities Arpad, Ṣimirra, Damascus, (and) Samaria to rebel against me, made (them) act in unison, and prepared for battle. I mustered the numerous troops of the god Aššur; I surrounded him, together with his fighting men, in Qarqar, the city where he resided (lit.: “the city of his dwelling”), (and) I captured him. I burned the city Qarqar down with fire (and) I flayed the skin from him. I killed the guilty people inside those cities and imposed peace. I conscripted 200 chariots (and) 600 cavalry from among the people of the land Hamath and added them to my royal (military) contingent.” 51 Deze opstand wordt in een andere, helaas zwaar beschadigde inscriptie waarbij van deze opstand alleen het begin bewaard is gebleven, gedateerd. Het begin is ook iets anders: “In my second regnal year (720), Ilu-b[i’dī of the land Hamath …] assembled [the troops of the] wide [land Amurru] in the city Qarqar and [transgressed against] the oath [(sworn) by the great gods …]” 52

Over een oorlog in jaar 7 (715) schreef Sargon: “(As for) the Tamudu, [I]bādidi, Marsīma[ni], (and) Ḫayappa (tribes), faraway Arabs who live in the desert, did not know (either) overseer (or) commander, and had never brought their tribute to any king, I struck them down with the sword of the god Aššur, my lord, deported the remainder of them, and (re)settled (them) in the city Samaria.” 53

Hizkia (Juda)

co-regent vanaf 23 maart/15 september 728
koning 28 februari/28 maart 715-9 maart/2 september 686
jaar 1: 1 tisjri 715-1 tisjri 714
jaar 29: 1 tisjri 687-1 tisjri 686

Bulla, gevonden in ten zuiden van de Tempelberg in Jeruzalem en gemaakt met het zegel van Hizkia. De tekst: “Belonging to Hezekiah son of ’A[ḥ]az King of Juda[h]”. De gevleugelde zonneschijf is een algemeen symbool voor de hoogste god. Welke god verschilde per land, hier was het God. 54

Hizkia werd koning in het derde jaar van Hosea en regeerde 29 jaar (2 Kon 18:1-2). Het derde jaar van Hosea is 1 nisan 728-1 nisan 727. Als je kijkt naar de dubbele dateringen van het beleg van Samaria, wordt duidelijk dat Hizkia’s jaar 1 op 1 tisjri 728 begon, en hij daarom begon tussen 1 nisan-1 tisjri 728; zie Hosea.

Hizkia’s verdere chronologie is niet een van de simpelste. Hij regeerde namelijk toen Tirhaka koning was van Cusj (2 Kon 19:9); dit is Taharqa van de Egyptische dynastie XXV (690-664). Tirhaka was toen al koning, dus Hizkia was in 690 nog in leven. Dat is 38 jaar na 728, 9 jaar langer dan hij in totaal geregeerd heeft, en voor 728 betekent dit dat het het begin was van een co-regentschap. Naar mijn mening heeft Roger White de rest van de oplossing voor Hizkia’s chronologie gevonden.

Een goede chronologie

Een van de grootste chronologische ingewikkeldheden in Hizkia’s leven is de inval van de Assyrische koning Sanherib in jaar 14. Roger White 55 geeft een overzicht van de chronologische moeilijkheden van deze invasie, samen met een aantal oplossingen die net niet helemaal passen. Whites oplossing is dat Sanherib Juda twee keer binnenviel. De eerste keer was in Hizkia’s jaar 14 (702/1, 2 Kon 18:13-16, Jes 36:1), toen Hizkia een groot tribuut betaalde, en de tweede 15 jaar later, toen God het enorme Assyrische leger doodde (687/6, 2 Kon 18:17-19:37, 2 Kro 32:1-23, Jes 36:2-37:38). Als Hizkia bovendien niet voor Manasse regeerde, maar zijn zoon had aangesteld als co-heerser voor 11 jaar, verklaart dat alle Bijbelse, Assyrische èn Egyptische data.

Bulla, gemaakt met een zegel waarop stond: “belonging to Yesha’ya[hu h] nvy[]”. De betekenis van nvy is niet duidelijk. Het kan nvy‘ zijn, profeet, de persoonsnaam Nvy of de stad Nob, waar priesters woonden (1 Sam 22:11, Jes 10:32). Als het Nob was mist het lidwoord. Er zijn bovendien geen andere zegels en bullae gevonden met een naam die gevolgd wordt door een plaats. Het gebruikte zegel is dus mogelijk van de profeet Jesaja. Dat kan, want deze bulla is vlak bij de bulla van Hizkia gevonden. 56

Niet tegelijk met Hosea

Ik ben het alleen niet eens met White als het gaat over Hizkia’s jaren 4 en 6 uit de dateringen van de belegering van Samaria. Deze jaren horen volgens hem bij Hizkia’s alleenheerschappij, maar volgens Young en mij bij zijn co-regentschap. Whites argument om dat te doen, en daarmee de Assyrische chronologie in te korten, komt van Eric Aitchison en is goed te weerleggen. Toen Hizkia aan het begin van zijn regering het Pascha organiseerde, stuurde hij boden naar alle Israëlieten van Dan tot Berseba, inclusief degenen in Efraïm, Manasse, Aser en Zebulon (2 Kro 30:5-6, 10-11). Zij waren “overgebleven zijn uit de hand van de koningen van Assyrië” (2 Kro 30:6), en dat betekent volgens Aitchison dat Hosea’s koninkrijk toen nog niet was gevallen.

Als Aitchison gelijk heeft bestond het tienstammenrijk nog steeds toen Hizkia’s achterkleinzoon Josia regeerde. Josia beëindigde namelijk niet alleen de afgodendiensten in Juda, maar ook in Manasse, Efraïm, Simeon en Naftali (2 Kro 34:6). Dit gebied was ook toen een onderdeel van “heel het land van Israël” (vers 7), en daar woonden Israëlieten: “Josia deed alle gruwelen weg uit alle landen die van de Israëlieten waren” (vers 33).

Sargon had slechts 27.290 Israëlieten afgevoerd, de rest liet hij achter; zie boven, Hosea. Zij zullen door Hizkia uitgenodigd zijn en de eigenaren van het gebied dat door Josia werd gezuiverd. Nadat Sargon andere volken in Israël plantte vermengden de Israëlieten zich met hen; dat blijkt onder andere uit Neo-Assyrische inscripties uit het voormalige tienstammenrijk 57. Hun nakomelingen zijn de Samaritanen. Zij claimen nakomelingen te zijn van de inwoners van het tienstammenrijk 58, om specifiek te zijn van de stammen Manasse, Efraïm en Benjamin, en uit de familie van Aäron 59; uit DNA-onderzoek blijkt dat de Samaritanen deels Israëlieten zijn. 60

Zegel van carneool, met de tekst: “Belonging to Elyaqim servant of the king”. 61 Dit is mogelijk Eljakim, de zoon van Hilkia, het hoofd van Hizkia’s hofhouding (2 Kon 18:18).

Tribuut aan Assyrië

“Bovendien kwam hij (Hizkia) in opstand tegen de koning van Assyrië en diende hem niet meer.” (2 Kon 18:7b)

Dat Juda aan het begin van Hizkia’s regering onder Assyrië viel, wordt vermeld door Sargon II. In jaar 9 (713) stelde Sargon een andere koning aan in Asdod, maar deze werd al snel verdreven. In de plaats daarvan stelde de bevolking Iāmānī aan, uit de lagere klasse. “<They sent> mendacious messages (and) malicious words to the ki[ngs] of the lands Philistia, Judah (KUR.ia-ú-du), Ed[om], (and) Moab, (as well as to) those who live on the sea(coast), (all) those who brought tribute [and] audience gift(s) to the god Aššur, my lord, in order to make (them) hostile to me.” Hierna volgt een verslag van Sargons oorlog tegen Iāmānī. Juda wordt niet meer genoemd. 62

Bulla, met de tekst: “Belonging to Yehozaraḥ son of Ḥilqiyahu servant of Ḥizqiyahu”. Yehozarah is mogelijk een broer van Eljakim, het hoofd van Hizkia’s hofhouding en ook zoon van (een) Hilkia. (2 Kon 18:18, Jes 36:3). 63

Hierop versloeg Hizkia de Filistijnen, tot Gaza toe (2 Kon 18:8). In dit gebied lag ook Asdod. Er was alle ruimte om hier oorlog te voeren; Sargon hield zich volgens de Assyrian Eponym Chronicle vanf 712 bezig in Mesopotamië.

Sanheribs inval

Het verslag van Sanherib over zijn oorlog tegen mḫa-za-qi-a-ú (Hizkia) KUR.ia-ú-da-a-a (van het land Juda) in zijn derde oorlog (702/1), wat het 14e jaar is van Hizkia, en hoe delen van Hizkia’s land door hem werden gegeven aan de Filistijnse stadsvorsten, staat in verschillende versies op internet. 64 In tekst Sennacherib 004, regels 39-58, begint het relevante gedeelte met Sanheribs oorlog in het land van de Filistijnen, waar ook de reden voor Sanheribs (eerste) aanval op Juda staat:

“Moreover, (as for) Ṣidqâ, the king of the city Ashkelon who had not bowed down to my yoke, I forcibly removed the gods of his father’s house, himself, his wife, his sons, his daughters, his brothers, (and other) offspring of his father’s house and took him to Assyria. I set Šarru-lū-dāri, son of Rūkibtu, their former king, over the people of the city Ashkelon and imposed upon him the payment of tribute (and) gifts (in recognition) of my overlordship so that he (now) pulls my yoke.

In the course of my campaign, I surrounded, conquered, (and) plundered the cities Bīt-Daganna, Joppa, Banayabarqa, (and) Azuru, the cities of Ṣidqâ that had not submitted to me quickly. (As for) the governors, the nobles, and the people of the city Ekron who had thrown Padî, their king who was bound by treaty and oaths to Assyria, into iron fetters and who had handed him over to Hezekiah of the land Judah in a hostile manner, they became frightened on account of the villainous acts they had committed. They formed a confederation with the kings of Egypt (and) the archers, chariots, (and) horses of the king of the land Meluḫḫa, forces without number, and they came to their aid. In the plain of the city Eltekeh, they sharpened their weapons while drawing up in battleline before me. With the support of (the god) Aššur, my lord, I fought with them and defeated them. In the thick of battle, I captured alive the Egyptian charioteers (and) princes (lit. “the sons of the kings”), together with the charioteers of the king of the land Meluḫḫa.

I surrounded, conquered, (and) plundered the cities Eltekeh (and) Tamnâ. I approached the city Ekron and I killed the governors (and) nobles who had committed crime(s) and hung their corpses on towers around the city; I counted the citizens who had committed the criminal acts as booty; (and) I commanded that the rest of them, (those) who were not guilty of crimes or wrongdoing, (to) whom no penalty was due, be allowed to go free. I brought out Padî, their king, from the city Jerusalem (URU.ur-sa-li-im-ma) and placed (him) on the lordly throne over them, then I imposed upon him payment (in recognition) of my overlordship.

(As for) Hezekiah of the land Judah, I surrounded (and) conquered forty-six of his fortified walled cities and small(er) settlements in their environs, which were without number, by having ramps trodden down and battering rams brought up, the assault of foot soldiers, sapping, breaching, and siege engines. I brought out of them 200,150 people, young (and) old, male and female, horses, mules, donkeys, camels, oxen, and sheep and goats, which were without number, and I counted (them) as booty.

As for him (Hezekiah), I confined him inside the city Jerusalem, his royal city, like a bird in a cage. I set up blockades against him and made him dread exiting his city gate. I detached from his land the cities of his that I had plundered and I gave (them) to Mitinti, the king of the city Ashdod, and Padî, the king of the city Ekron, (and) Ṣilli-Bēl, the king of the land Gaza, (and thereby) made his land smaller. To the former tribute, their annual giving, I added the payment (of) gifts (in recognition) of my overlordship and imposed (it) upon them.

As for him, Hezekiah, fear of my lordly brilliance overwhelmed him and, after my (departure), he had the auxiliary forces (and) his elite troops whom he had brought inside to strengthen the city Jerusalem, his royal city, thereby gaining reinforcements, (along with) 30 talents of gold, 800 talents of silver, choice antimony, large blocks of …, ivory beds, armchairs of ivory, elephant hide(s), elephant ivory, ebony, boxwood, garments with multi-colored trim, linen garments, blue-purple wool, red-purple wool, utensils of bronze, iron, copper, tin, (and) iron, chariots, shields, lances, armor, iron belt-daggers, bows and uṣṣu-arrows, equipment, (and) implements of war, (all of) which were without number, together with his daughters, his palace women, male singers, (and) female singers brought into Nineveh, my capital city, and he sent a mounted messenger of his to me to deliver (this) payment and to do obeisance.”

Relatie met Egypte

In Hizkia’s tijd profeteerde Jesaja over Pami (715-709/1) en de komst van de Cusjieten naar Egypte.

Manasse (Juda)

14 september 698/2 september 697-7 september 643/25 september 642
jaar 1: 1 tisjri 697-1 tisjri 696
jaar 55: 1 tisjri 643-1 tisjri 642

Zegel van een donkerbruine steen met witte en roze aderen. “Belonging to Menashē son of the king”. Het is mogelijk van Manasse uit de periode voordat zijn vader stierf. 65

Hij regeerde 55 jaar (2 Kon 21:1).

Vergeleken met Hizkia’s sterfjaar en Amons beginjaar, is er slechts 44 jaar beschikbaar voor hem. De andere 11 zal hij samen hebben geregeerd met Hizkia, want een co-heerschappij van 11 jaar met Amon kan niet; Amon werd al na 2 jaar vermoord.

Assyrië

Esarhaddon, de koning van Assyrië, vermeldt Manasse (mme-na-si-i), koning van Juda (LUGAL URU.ia-ú-di) onder de 22 koningen waarvan hij bouwmateriaal eiste voor de bouw van zijn paleis. De meeste exemplaren van deze inscriptie zijn gedateerd in de laatste maand van het jaar Atar-ili (673/2), maar een exemplaar in de eerste maand van het jaar Nabû-bēlu-uṣur (672/1). 66 In een variant op deze tekst wordt Juda geschreven als ia-u-di. 67

Manasse (mmi-in-se-e), koning van het land Juda (LUGAL KUR.ia-ú-di), was een van de 22 koningen die Assurbanipal, de koning van Assyrië, een tribuut betaalden op zijn eerste campagne. Hij was toen onderweg naar Egypte, waar Taharqa (690-664) voor hem op de vlucht sloeg (in 668) en Nekau I (672-664), ook al had hij zich aangesloten bij Taharqa, in vrede werd aangenomen. 68

Amon (Juda)

7 september 643/25 september 642-12 september 641/2 september 640
jaar 1: 1 tisjri 642-1 tisjri 641
jaar 2: 1 tisjri 641-1 tisjri 640

Hij regeerde 2 jaar (2 Kon 21:19).

Josia (Juda)

12 september 641/2 september 640-juni 609
jaar 1: 1 tisjri 640-1 tisjri 639
jaar 31: 1 tisjri 610-1 tisjri 609

Zegel met de tekst “Belonging to Aṣalyahu son of Meshullam”. Josia’s schrijver Safan was zijn zoon (2 Kon 22:3, 2 Kro 34:8). 69

Josia regeerde 31 jaar (2 Kon 22:1).

Hij sneuvelde tegen Nekau II (610-595). Voor de maand juni, zie Joahaz.

Ostraka

Een ostrakon, die gevonden zou zijn aan de westelijke randen van Hebrons heuvels, komt gezien het handschrift uit het eind van de 7e eeuw, en is gedateerd op een jaar 16. “In the third (month), the silver that has been brought to Maḥsēyāhû son of Biqqēš, to Dᵊ‘ûyāhû the scribe.” De enige koning die in deze periode minstens 16 jaar regeerde, is Josia. Jaar 16 is dan 625/4. 70

Zegelring. “Belonging to Ḥanan son of Ḥilqiyahu the priest”; de priester was Hanan, niet Hilkia. Dit is mogelijk de hogepriester uit Josia’s tijd die het wetboek van Mozes terugvond (2 Kon 22:8). 71

Een andere ostrakon, waarschijnlijk uit het laatste kwart van de 7e eeuw, komt uit het huidige Meṣad Ḥashavyahu, wat een fort was in Filistijns gebied. Ondanks dat is de tekst Bijbels Hebreeuws, met slechts hier en daar een schrijffout. Het is een klacht van iemand die tijdens de oogst van zijn kledingstuk werd beroofd door Hôša‘yāhû, de zoon van Šōbay. Juda heerste dus over dit gebied. Dat kan in de paar jaar dat de Assyrische macht begon te wankelen, maar voordat Psamtik I (664-610) in 616 naar Mesopotamië marcheerde. Hierna had het fort contact met het Egeïsche gebied. 72

Bulla, met de tekst van het zegel: “[Belonging to A]ḥiqam(?) [so]n of Shapan”. Ahikam, de zoon van Safan, was een dienaar van Josia (2 Kon 22:12, 14) en Jojakim (Jer 26:24). 73

Joahaz (Juda)

juni-(na 20) september 609
jaar 1: 1 tisjri 609-1 tisjri 608

Zegel van rood jaspis. “Belonging to Yeho’aḥaz son of the king”. Dit kan Achaz zijn, die Joahaz wordt genoemd in een Assyrische bron, maar ook de zoon van Josia. Het is mogelijk vals. 74

Joahaz regeerde 3 maand (2 Kon 23:31), wat precies de periode is tussen Nekau II’s reis naar Karkemis en diens terugreis naar Egypte. Daar vocht Nekau tussen de maanden du’ûzu, 24 juni-22 juli 609, en ulûlu, 21 augustus-19 september 609. 26 Joahaz zal daarom tussen juni en september hebben geregeerd. De troon was in ieder geval nog op 1 tisjri 609 (20 september) van hem, want jaar 1 van Jojakim begon met 1 tisjri 608; zie onder.

In september werd Joahaz door Nekau gevangen genomen en naar Egypte gebracht, waar hij bij aankomst stierf (2 Kon 23:34).

Jojakim (Juda)

(na 20) september 609-(7?) december 598
jaar 1: 1 tisjri 608-1 tisjri 607
jaar 11: 1 tisjri 598-1 tisjri 597

Bulla van een zegel met de tekst “Belonging to Berekyahu son of Neriyahu the scribe”. Baruch, de zoon van Neria, was de schrijver van Jeremia en wordt vermeld in jaar 4 en 5 van Jojakim (605/3) (Jer 36, 45:1). 75

Jojakim regeerde 11 jaar (2 Kon 23:36). Hij werd aangesteld door farao Necho (Nekau II) (610-595).

Zijn vierde jaar was het eerste van Nebukadnezar, de koning van Babel. Sinds het 13e jaar van Josia waren er op dat moment 23 jaar verstreken. (Jer 25:1-2) Het 13e jaar van Josia was 1 tisjri 628-1 tisjri 627, en ook al werd Nebukadnezar gekroond op 1 ulûlu 76, de Babylonische naam van elul, 6 september 605, zijn jaar 1 begon op 1 nisanu (nisan), 1 april 604. Jojakims jaar 4 kan daarom hoogstens een half jaar eerder, 1 tisjri 605, zijn begonnen. Het betekent dat jaar 1 begon op 1 tisjri 608, en hij (kort) na 1 tisjri 609 werd gekroond.

Nadat hij stierf werd zijn zoon Jojachin gekroond (2 Kon 24:6). Daar zal niet lang mee gewacht zijn, want Jojachin was al co-regent.

Daniël

Bulla van een zegel met de tekst “Belonging to Yeraḥme’el son of the king”. Jojakim gaaf in jaar 5 (604/3) onder andere Jerahmeël, de zoon van de koning, de opdracht om Jeremia gevangen te nemen (Jer 36:26). 77

Daniël, Hananja, Misaël en Azarja kwamen uit het koninklijk geslacht van Juda (Dan 1:3-6). Het is mogelijk dat ze zonen waren van Jojakim; zie hier.

Jojachin (Juda)

co-regent vanaf 20 september 609/8 september 608
koning 8 december 598-14 maart 597

Hij was 18 jaar toen hij koning werd en regeerde 3 maanden (2 Kon 24:8), maar hij was ook 8 jaar oud en regeerde 3 maanden 10 dagen (2 Kro 36:9). De versie uit 2 Kronieken is preciezer, wat zal betekenen dat hij op 8-jarige leeftijd als co-regent was aangesteld.

Hij werd gevangen genomen door Nebukadnezar, de koning van Babel, in het achtste jaar van diens regering (2 Kon 24:12). De Bijbel noemt de datum niet, maar Nebukadnezar wel: 2 adar, 14 februari 597. 76 Bij het aanbreken van het nieuwe jaar werd hij afgevoerd naar Babel (2 Kro 36:10) en Zedekia aangesteld als koning (2 Kon 24:17). Het nieuwe jaar begon op 1 nisan, 14 maart 597; 3 maand en 10 dagen daarvoor was, op een inclusieve telling, 8 december 598.

Jojachin werd vrijgelaten in de 12e maand van het 37e jaar van zijn ballingschap, op de 25e (2 Kon 25:27) of 27e (Jer 52:31) dag, 1 en 3 maart 561. Voor een verklaring voor het verschil in dag, en zijn vermelding op rantsoenenlijsten uit Babylonië (2 Kon 25:30), zie hier.

Zedekia (Juda)

14 maart/11 april 597-28 juni 587
jaar 1: 1 tisjri 598-1 tisjri 597
jaar 11: 1 tisjri 588-1 tisjri 587

Hij werd aangesteld door Nebukadnezar nadat Jojachin was afgevoerd (2 Kon 24:16-17), wat ruim genomen ergens in nisan was, ofwel tussen 14 maart-11 april 597. Hij regeerde 11 jaar (2 Kon 24:18).

Jeruzalem viel in 587, niet in 586; dat is de enig mogelijke conclusie die je kan halen uit Ezechiël 40:1. 78 Hierdoor wordt ook duidelijk dat Zedekia, in tegenstelling tot alle koningen van Juda in de laatste twee eeuwen, inclusief telde. Op 10 tevet in jaar 9, 27 december 590, belegerde Nebukadnezar Jeruzalem (2 Kon 25:1), en op 9 tammuz in jaar 11, 28 juni 587, werd de stad opengebroken (2 Kon 25:2-4).

Dit was het einde van het koninkrijk Juda.

Relatie met Egypte

In Zedekia’s tijd profeteerde Ezechiël over een 40-jarige verwoesting van Egypte, en Jeremia noemde farao Wahibre (Hofra, Apries) (589-568) (Jer 44:30).

Bullae en zegels

Bulla van een zegel met de tekst “Belonging to Gedaliah, son of Pashur”. Gedalia, de zoon van Pashur, was een van Zedekia’s dienaren (Jer 38:1). 79
Bulla van een zegel met de tekst “Eigendom van Azaria, zoon van Hilkia”, een hogepriester uit de tijd tussen Josia en de val van Jeruzalem in 587. 80
Bulla van een zegel met de tekst “Belonging to Gemaryahu [son of] Shapan”. Safan was de schrijver van Josia (o.a. 2 Kon 22:3), Gemarja een dienaar van Zedekia (Jer 36:10-12, 25). 81
Bulla van een zegel met de tekst “Eigendom van Juchal, de zoon van Selemja, de zoon van Sobai”. Juchal, de zoon van Selemja, was een dienaar van Zedekia (Jer 37:3, 38:1). 82
Zegel van ”Azaryahu (son of) Ḥilqiyahu” uit de 7e-6e eeuw. 83 Het is mogelijk van hogepriester Azaria.
Zegel, “Belonging to Malkiyahu son of the king”. “Zij namen Jeremia mee en wierpen hem in de put van Malkia, de zoon van de koning, die op het binnenplein van de wacht was” (Jer 38:6). 84
Zegel. “Belonging to Śerayahu (son of) Neriyahu”. Seraja, de zoon van Neria, was de kwartiermeester van Zedekia in jaar 4 (595/6) (Jer 51:59-64). 85

Gedalia

Nebukadnezar stelde Gedalia aan als gouverneur, maar die hield het slechts een paar maanden vol, voor hij werd vermoord.

Bulla. “Belonging to Gedalyahu who is over the House”, mogelijk Gedalia de gouverneur met een titel die hij dan voor de verwoesting van Jeruzalem had. 86
Bulla. “Belonging to Gedalyahu servant of the king”. 87
Zegel. “Belonging to Ya’azanyahu servant of the king”. Het komt uit omstreeks 600, en is mogelijk van generaal Jaäzanja, een van Gedalia’s moordenaars (2 Kon 25:23). 88
Bulla. ”[Belonging to M]i’amen [son of] ‘Epai”. 89 DIt is mogelijk een van “de zonen van Efai uit Netofa”, generaals die met Ismaël meekwamen (Jer 40:8).
Zegel.  “[Belonging to] Ba’alis King of B[nei Ammo]n”. Baalis, de koning van de Ammonieten, gaf de opdracht voor de moord op Gedalia (Jer 40:14). 90
Bulla. “Van Ismaël, de zoon van de koning”, uit de periode tussen Josia en Zedekia. 91 Dit is mogelijk “Ismaël, de zoon van Nethanja, de zoon van Elisama, iemand van koninklijken bloede” (2 Kon 25:25), een van Gedalia’s moordenaars.
Zegel. “Belonging to Elishama‘ son of the king”. Het komt uit de 8e-7e eeuw en is mogelijk van Ismaëls opa. 92

laatste wijziging: 14 september 2022

  1. Door Kingdoms_of_Israel_and_Judah_map_830.svg: Dutch translation: Wikibelgiaan – Eigen werk, CC BY-SA 4.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=38729301[]
  2. Roger C. Young, Tables of Reign Lenghts from the Hebrew Court Recorders[]
  3. Roger C. Young, Acceptance of my revised chronology of Solomon thru Athaliah in recent research[]
  4. Tekst Shalmaneser III 002, regel ii 91-92[]
  5. By GFDL, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=87357460[]
  6. Tekst Shalmaneser III 008, regels 26″-27″, en Tekst Shalmaneser III 012, regels 26″-27″[]
  7. Tekst Shalmaneser 010, regel iv 11[]
  8. Tekst Shalmaneser III 016, regel 135′[]
  9. Tekst Shalmaneser 088[]
  10. Seder Olam Rabbah, Tractate 18[]
  11. Flavius Josephus, Antiquities of the Jews, 9.8.5[]
  12. Nadav Na’Aman, Historical and Chronological Notes on the Kingdoms of Israel and Judah in the Eighth Century B.C., in Vetus Testamentum XXXVI, 1 (1986), p. 80-81[]
  13. Tekst Adad-narari III 07, regels 4-8[]
  14. Filip Čapek, Balancing evidence about Jehu and Joash in ancient near east texts – Critical reassessment, in Communio Viatorum, January 2014, p. 31[]
  15. Shuichi Hasegawa, Adad-nērārī III’s Fifth Year in the Saba’a Stela Historiographical Background, in Revue d’Assyriologie et d’archéologie orientale, Vol. 102 (2008), p. 95-96[]
  16. Seder Olam Rabbah, Tractate 19[][][][]
  17. Avigad (1997), p. 49-50, afbeelding in kleur van Bible and Archaeology – Online Museum: 10. King Jeroboam II[]
  18. Ben Stanhope, Illustrations of Hebrew Seals and Bullae Identifying Biblical Persons (2020) []
  19. Bryan Windle, King Jeroboam II: An Archaeological Biography (2021) []
  20. Avigad (1997), p. 50[]
  21. Flavius Josephus, Antiquities of the Jews, 9.10.3[]
  22. Flavius Josephus, Antiquities of the Jews, 9.9.3[]
  23. Avigad (1997), p. 51, kleurenfoto van Médailles et Antiques de la Bibliothèque nationale de France[]
  24. Eilat Mazar en Reut Livyatan Ben-Arie, Hebrew and Non-Indicative Bullae, in The Summit of the City of David, Excavations 2005-2008, Final Reports Volume I (2015), p. 312-314[]
  25. Flavius Josephus, Antiquities of the Jews, 9.11.3[]
  26. ABC 3 (Fall of Nineveh Chronicle)[][]
  27. Seder Olam, Tractate 20[]
  28. Tekst Tiglath-pileser III 14, regel 10[]
  29. Tekst Tiglath-Pileser III 32, regel 2[]
  30. Tekst Tiglath-Pileser III 35, regel iii 5[]
  31. Nadav Na’Aman, Historical and Chronological Notes on the Kingdoms of Israel and Judah in the Eighth Century B.C., in Vetus Testamentum XXXVI, 1 (1986), p. 81[][]
  32. Shmuel Aḥituv, Echos from the past, Hebrew and Cognate Inscriptions from the Biblical Period, Selected and Annotated by Shmuel Aḥituv, vertaald en geëdit door Anson F. Rainey (2008), p. 330-331[]
  33. Tiglath-Pileser Tekst 21, regels 1’-11’[]
  34. Tiglath-Pileser Tekst 22, regels 1’-8’a[]
  35. Tekst Tiglath-pileser III 42, regel 15’b-19’a[]
  36. Tekst Tiglath-pileser III 44, regel 17′-18′[]
  37. Tekst Tiglath-pileser III 49, regels r 9-r 10[]
  38. G. Frame, Šapīya, in Reallexicon der Assyriologie, Volume 12, p. 29[]
  39. Ron E. Tappy, The Annals of Sargon II and the Archaeology of Samaria: Rhetorical Claims, Empirical Evidence, in Beihefte zur Zeitschrift für die alttestamentliche Wissenschaft, Band 511, The Last Days of the Kingdom of Israel (2019), p. 185[]
  40. GK. Kessler, Šarrabānu, in Reallexicon der Assyriologie, Volume 12, p. 29[]
  41. Nadav Na’Aman, Historical and Chronological Notes on the Kingdoms of Israel and Judah in the Eighth Century B.C., in Vetus Testamentum XXXVI, 1 (1986), p. 71[]
  42. Ben Stanhope, Illustrations of Hebrew Seals and Bullae Identifying Biblical Persons (2020), kleurenfoto van Bryan Windle, King Ahaz: An Archaeological Biography (2020) []
  43. Avigad (1997), p. 51, kleurenfoto van p. 2[]
  44. Tekst Tiglath-Pileser III 47, r 11′[]
  45. Tekst Sargon II 073, regel 8a[]
  46. Eckhart Frahm, Samaria, Hamath, and Assyria’s Conquests in the Levant in the Late 720s BCE. The Testimony of Sargon II’s Inscriptions, in Beihefte zur Zeitschrift für die alttestamentliche Wissenschaft, Band 511, The Last Days of the Kingdom of Israel (2019), p. 66-67[]
  47. Tekst Tiglath-pileser III 20, regels 1’-17’[]
  48. Tekst Tiglath-pileser III 50, regel r 3. De lacunae zijn door de vertalers aangevuld met een kopie, Tekst Tiglath-pileser III 49, regels 3-4, en een andere versie, Tekst Tiglath-pileser III 42, regels 5’b-8’a.[]
  49. André Lemaire, Royal Signature: Name of Israel’s Last King Surfaces in a Private Collection, in Biblical Archaeology Review 21:6, nov./dec. 1995, p. 48[]
  50. Tekst Sargon II 007, regels 22-23[]
  51. Tekst Sargon II 007, regels 33-35a[]
  52. Tekst Sargon II 001, regels 23b-25[]
  53. Tekst Sargon II 001, regels 120b-123a[]
  54. Eilat Mazar, The Ophel Excavations to the South of the Temple Mount 2009-2013, Final Reports Volume II (2018), p. 254-255, foto van Eilat Mazar, Is This the Prophet Isaiah’s Signature? in Biblical Archaeology Review 44.2 (2018), p. 64-73[]
  55. Roger White, In Search of a Correct Bible Chronology, p. 2-30[]
  56. Eilat Mazar, The Ophel Excavations to the South of the Temple Mount 2009-2013, Final Reports Volume II (2018), p. 266-268, foto van Eilat Mazar, Is This the Prophet Isaiah’s Signature? in Biblical Archaeology Review 44.2 (2018), p. 64-73[]
  57. Bob Becking, How to Encounter an Historical Problem? “722-720 BCE” as a Case Study, in Beihefte zur Zeitschrift für die alttestamentliche Wissenschaft, Band 511, The Last Days of the Kingdom of Israel (2019), p. 28[]
  58. The Samaritan Update[]
  59. Israelite Samaritan Information Institute, Families[]
  60. 11 schrijvers, Reconstruction of Patrilineages and Matrilineages of Samaritans and Other Israeli Populations From Y-Chromosome and Mitochondrial DNA Sequence Variation, in Human Mutation 24 (2004), p. 248-260[]
  61. Avigad (1997), p. 51[]
  62. Tekst Sargon II 073, regels vii 13’-vii 15’’’[]
  63. Avigad (1997), p. 172-173[]
  64. http://oracc.museum.upenn.edu/rinap/corpus/, tekst Sennacherib 004, regel 49-58, en in Sennacherib 015, Sennacherib 016, Sennacherib 017, Sennacherib 018, Sennacherib 019, Sennacherib 022 en Sennacherib 023[]
  65. Avigad (1997), p. 55[]
  66. Tekst Esarhaddon 001, v 54-vi 1[]
  67. Tekst Esarhaddon 005, regels viii 2’-viii 16’[]
  68. Tekst Ashurbanipal 006, regels ii 25’-ii 76’[]
  69. Avigad (1997), p. 79[]
  70. Shmuel Aḥituv, Echos from the past, Hebrew and Cognate Inscriptions from the Biblical Period, Selected and Annotated by Shmuel Aḥituv, vertaald en geëdit door Anson F. Rainey (2008), p. 190-193[]
  71. Avigad (1997), p. 59. Foto van Seal Impression of Isaiah found at Jerusalem[]
  72. Shmuel Aḥituv, Echos from the past, Hebrew and Cognate Inscriptions from the Biblical Period, Selected and Annotated by Shmuel Aḥituv, vertaald en geëdit door Anson F. Rainey (2008), p. 156-164[]
  73. Avigad (1997), p. 181, foto van Paul W. Ferris, Jr, Archaeological Data: Prophets[]
  74. Avigad (1997), p. 54[]
  75. Avigad (1997), p. 175-176, kleurenfoto van Paul W. Ferris, Jr, Archaeological Data: Prophets[]
  76. ABC 5 (Jerusalem Chronicle)[][]
  77. Avigad (1997), p. 175, kleurenfoto van Paul W. Ferris, Jr, Archaeological Data: Prophets[]
  78. Rodger C. Young, When Did Jerusalem Fall?; Rodger C. Young, Ezekiel 40:1 as a Corrective for Seven Wrong Ideas in Biblical Interpretation[]
  79. Eilat Mazar en Reut Livyatan Ben-Arie, Hebrew and Non-Indicative Bullae, in The Summit of the City of David, Excavations 2005-2008, Final Reports Volume I (2015), p 307, duidelijkere afbeelding van Historical Evidence for Gedaliah Governor of Judea[]
  80. Tekst van Wikipedia, foto van Seals of Hilkiah and Gemeriah[]
  81. Avigad (1997), p. 470, kleurenfoto van Seals of Hilkiah and Gemeriah[]
  82. Eilat Mazar en Reut Livyatan Ben-Arie, Hebrew and Non-Indicative Bullae, in The Summit of the City of David, Excavations 2005-2008, Final Reports Volume I (2015), p. 311-312, afbeelding van p. i[]
  83. Avigad (1997), p. 139[]
  84. Avigad (1997), p. 55, foto van Paul W. Ferris, Jr, Archaeological Data: Prophets[]
  85. Avigad (1997), p. 163, kleurenfoto van Youtube[]
  86. Avigad (1997), p. 172, kleurenfoto van Gedaliahu son of Ahikam[]
  87. Avigad (1997), p. 173, kleurenfoto van Paul W. Ferris, Jr, Archaeological Data: Prophets[]
  88. Avigad (1997), p. 52[]
  89. Avigad (1997), p. 209[]
  90. Robert Deutsch, Seal of Ba’alis Surfaces, in Biblical Archaeology Review, March/April 1999, p. 48-49[]
  91. An Early Jewish Terracotta Bulla Of Ishmael, The King’s Son[]
  92. Avigad (1997), p. 53[]

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.