Categorieën
Damascus

Koningen van Damascus

De rivier Abana (2 Kon 5:12) in Damascus, in de vorige eeuw 1

Inleiding

Toen Salomo’s rijk uit elkaar viel werd Damascus de hoofdstad van een nieuw koninkrijk. Verschillende van haar koningen staan in de Bijbel. Bij het vergelijken van hun namen met die uit Assyrische bronnen ontstaan er alleen een paar vragen, die genoeg reden zijn om de koningen van Damascus op dit blog te behandelen. Daarnaast levert dit bewijs op voor het bestaan van een aantal Bijbelse personen.

De twee belangrijkste vraagtekens zijn Hadadezer en Mari. Hun namen staan alleen in Assyrische bronnen, maar ze regeerden in de tijd van de Bijbelse koningen van Damascus. Hadadezer wordt meestal geïdentificeerd met Benhadad, omdat beiden in Achabs tijd leefden, maar ze hebben verschillende namen.

De antwoorden zijn te vinden in de Bijbel. In de tijd van zowel Hadadezer als Mari wordt verschillende keren een anonieme koning van Damascus genoemd. Zolang dit de Hadadezer en Mari zijn passen de Assyrische bronnen zonder problemen naast de Bijbel, en vullen beide elkaar mooi aan.

In deze post staan alleen de koningen die tussen ongeveer 995 en 732 over Damascus heersten. Een koningslijst uit die tijd ontbreekt, dus hun jaartallen blijven meestal bij schattingen.

Benhadad en Hadadezer

Het onderzoek voor deze post begon met de gebruikelijke identificatie van Benhadad, Achabs tegenstander, met Hadadezer, Achabs bondgenoot die tegen Salmaneser streed. Op zich kon ik die identificatie rustig overnemen, want vrijwel iedereen accepteert dit. Het verschil in namen zat me alleen dwars. Ik vond één paper waarin de identificatie wordt tegengesproken, van een zekere D. D. Luckenbill uit 1911. 2 Niemand heeft hier ooit iets mee gedaan.

Er is geen enkele manier om de namen Hadadezer en Benhadad aan elkaar te brein. De enige overeenkomst is de naam van de Syrische god Hadad. 3 Het is niet logisch om Hadadezer, die een alliantie leidde waar Achab deel van uitmaakte, te identificeren met Benhadad, die twee keer flink verloor van Achab, en het alleen overleefde doordat Achab hem accepteerde als broeder. Als zij dezelfde persoon waren betekent het dat of de Israëlieten, of de Assyriërs een verkeerde naam opschreef, maar beide volken gebruikten meestal dezelfde namen. 4

Achab strijd tegen de Syriërs, uit een Georgisch manuscript uit 1665 5

De grootste reden voor de identificatie is 1 Koningen 22:1: “Drie jaar zaten zij stil: er was geen oorlog tussen Syrië en Israël.” Een logische eerste gedachte is dat de oorlogen van Benhadad en Achab uit hoofdstuk 20 drie jaar voor hoofdstuk 22 eindigden. Maar het is logischer als hoofdstuk 20 plaatsvond aan het begin van Achabs regering. Eén van Achabs zonden was zijn huwelijk met Izebel, de dochter van de Fenicische koning (1 Kon 16:31), maar vanuit politiek oogpunt was dit een wijs besluit. Fenicië werd zijn bondgenoot tegen Damascus. Damascus was een handelscentrum en de logische weg voor haar handelaren om de Middellandse Zee te bereiken, is Galilea. Hier veroverde een eerdere Benhadad al verschillende steden op Israël (1 Kon 15:16). Dankzij de vrede die ontstond in hoofdstuk 20 kreeg Achab tijd om zijn steden te bouwen (22:39) en Moab te onderdrukken. 1 Koningen 22:1 is dan de conclusie van een strijd die verder niet genoemd wordt. De koning tegen wie Achab in Ramoth in Gilead streed blijft anoniem, dus hij kan Hadadezer zijn. 6

In hoofdstuk 20 had Achab 7000 soldaten (vers 15) en waren de Syriërs niet bang dat hij strijdwagens in zou zetten (vers 23), maar toen Achab samen met Hadadezer tegen Salmaneser III streed, had hij volgens Salmaneser alleen al 2000 strijdwagens. (Dit aantal is bijna even groot als het aantal Assyrische strijdwagens, en waarschijnlijk overdreven door Salmaneser.) 7 Het verschil tussen hoofdstuk 20 en Achabs macht en rijkdom is zo groot, dat hele theorieën kunnen worden bedacht waarin Benhadad niet tegen Achab streed, maar tegen één van Jehu’s opvolgers, toen het stukken slechter ging met Israël. 8 Als de oorlogen uit hoofdstuk 20 aan het begin van Achabs regering werden gestreden had hij minstens 10-15 jaar om dit leger en die rijkdom op te bouwen. Aan het eind van zijn regering kan een nieuwe oorlog met Syrië zijn ontstaan, die eindigde met de stilte uit 1 Koningen 22:1. Tijdens deze strijd kan Hadadezer, en niet Benhadad die een verbond met Achab had (20:34), Ramoth in Gilead in handen hebben gekregen. De Bijbel focust op Achabs relatie met God en al het andere kan eruit zijn gelaten.

Het enige dat hier volgens Luckenbill tegen in kan worden gebracht, is 2 Koningen 8:7-15. Daar wordt Benhadad vermoord door Hazaël, die koning van Syrië wordt. In Assyrische bronnen wordt Hazaël 4 jaar na de laatste vermelding van Hadadezer genoemd, en Luckenbill ziet hier geen ruimte voor een extra Benhadad. 9 Ik zou niet weten waarom dat onmogelijk is. Hadadezer kan al in het eerste jaar gestorven zijn en opgevolgd door een nieuwe Benhadad, die in het tweede jaar vermoord kan zijn en opgevolgd door Hazaël. Wat daar weer tegenin kan worden gebracht is een opmerking van Salmaneser III: “Hadad-ezer passed away (and) Hazael, son of a nobody, took the throne.” 10 Het woord voor sterven, šadāšu ēmid, kan ook verdwijnen betekenen. 11 Deze opmerking staat tussen Salmanesers oorlogen tegen Hadadezer en Hazaël. Zoals gezegd zat er 4 jaar tussen beide, 4 jaar waarin Salmaneser niet naar het westen ging 9, dus Benhadad was voor hem niet interessant genoeg om te vermelden. Dat laatste is ook het idee van Wayne Pitard. 12

-ca.995

David (971-931) streed tegen een andere Hadadezer dan Achab. “De Syriërs van Damascus kwamen om Hadadezer, de koning van Zoba, te helpen, maar David versloeg van de Syriërs tweeëntwintigduizend man.” (2 Sam 8:5) Josephus noemt de bondgenoot van Hadadezer “Hadad, king of Damascus and of Syria”, en citeert van een zekere Nicelens: “A great while after these things had happened, there was one of that country whose name was Hadad, who was become very potent; he reigned over Damascus, and, the other parts of Syria, excepting Phoenicia. He made war against David, the king of Judea, and tried his fortune in many battles, and particularly in the last battle at Euphrates, wherein he was beaten. He seemed to have been the most excellent of all their kings in strength and manhood”. 13

Davids inname van Damascus is ongeveer te dateren. Het was na zijn verovering van Jeruzalem, waar hij zijn laatste 33 jaar regeerde, (2 Sam 5:4-5) dus na 1004. Na een aantal interne zaken (2 Sam 6-7) begon David oorlog te voeren; Hadadezer was zijn derde tegenstander (2 Sam 8:1-8). Hierna veroverde hij Edom (2 Sam 8:13-14) en ontmoette Mefiboseth (9:6). Dit alles was minstens een jaar voordat David Salomo’s moeder voor het eerst zag (2 Sam 11:1-3). Salomo was volgens Josephus 14 toen hij koning werd 14 en dus geboren in 985. Hij had drie oudere broers (1 Kro 3:5) en een oudste broer die jong overleed (1 Sam 12:18). David en Bathseba ontmoetten elkaar daarom uiterlijk in 990. David versloeg Hadad dan ca.995.

Opvolgers

Josephus kopieerde van Nicolens een korte beschrijving van Hadads opvolgers: ““they succeeded one another in his kingdom, and in his name;” where he thus speaks: “When Hadad was dead, his posterity reigned for ten generations, each of his successors receiving from his father that his dominion, and this his name; as did the Ptolemies in Egypt. But the third was the most powerful of them all, and was willing to avenge the defeat his forefather had received; so he made an expedition against the Jews, and laid waste the city which is now called Samaria.” Nor did he err from the truth; for this is that Hadad who made the expedition against Samaria, in the reign of Ahab, king of Israel, concerning whom we shall speak in due place hereafter.” 13

Achab werd zoals gezegd bestreden door Benhadad. Deze was zijn vader opgevolgd, die niet bij naam wordt genoemd (1 Kon 20:34). Eerder regeerde een andere Benhadad, die zijn vader Tabrimmon was opgevolgd (1 Kon 15:16-17). Als Hadads derde opvolger Achabs Benhadad was, kan zijn vader alleen de eerdere Benhadad zijn. Tabrimmon was dan de eerste opvolger van Hadad. Het betekent dat Rezon, die tussen Salomo en Tabrimmon over Damascus regeerde (1 Kon 11:23-25), niet uit Hadads familie kwam.

Na Hadad en Rezon zijn de namen van precies tien koningen bekend wiens hoofdstad Damascus was, en de naam Hadad, wiens bijnaam Rimmon was, komt vaak voor:

  1. Tabrimmon
  2. Benhadad I
  3. Benhadad II, de tijdgenoot van Achab
  4. Hadadezer
  5. Benhadad IIa
    (De traditionele Benhadad II is een samenvoeging van Achabs Benhadad, Hadadezer en de Benhadad die door Hazaël werd vermoord. Hazaëls zoon, die ook Benhadad heette, krijgt altijd nummer III. Om de nummers niet door elkaar te halen heb ik de door Hazaël vermoorde Benhadad nummer IIa gegeven.)
  6. Hazaël
  7. Benhadad III
  8. Mari
  9. Hadianu
  10. Rezin

ca.995-971

“David legde garnizonen in het Syrië van Damascus, en de Syriërs werden dienaren van David en moesten schatting afdragen.” (2 Sam 8:6)

971-ca.935

Toen Salomo afgoden begon te dienen verloor hij het grootste deel van zijn rijk (1 Kon 11:13). Als gevolg van zijn afgoderij stonden meerdere tegenstanders op (vers 14, 23, 26). Een van hen was Rezon, die Damascus in bezit nam (vers 23-24).

Salomo werd God ontrouw toen de tempel en zijn paleis afgebouwd waren (1 Kon 9:1-2, 6). Hij begon daarmee in maand 2 van jaar 4 (1 Kon 6:1), lente 967, en deed daar 20 jaar over (1 Kon 9:10), dus tot 947. Salomo was al oud geworden toen hij afgoden ging dienen (1 Kon 11:4) en dan zal Rezon ca.935 Damascus hebben van hem hebben overgenomen.

ca.935-930/25

“God liet nog een tegenstander tegen hem opstaan: Rezon, de zoon van Eljada, die weggevlucht was bij zijn heer, Hadadezer, de koning van Zoba, tegen wie hij, toen David hen doodde, mannen bijeengebracht had en leider van een bende werd. Zij trokken naar Damascus, gingen daar wonen en regeerden in Damascus. En al de dagen van Salomo was hij tegenstander van Israël, en dat naast het kwaad dat Hadad deed (een andere tegenstander van Salomo), want hij had een afkeer van Israël en regeerde over Syrië.” (1 Kon 11:23-25)

De Damasceense Hadad werd, zoals hierboven uitgelegd, ca.995 door David verslagen. Omdat Rezon toen al volwassen was zal hij niet veel later dan 931 zijn gestorven. Wat hij en zijn bende deden tussen ca.995 en ca.935 wordt niet gezegd.

ca.930/25-910/900

Volgens Asa, de koning van Juda, bestond er een verbond tussen zijn vader (Abia, 914-912/1) en de vader van Benhadad, de zoon van Tabrimmon, de zoon van Hezion (1 Kon 15:19).

Hezion wordt wel geïdentificeerd met Rezon. 15 Daar is geen duidelijke reden voor en er zijn geen problemen die daardoor worden opgelost. Tot er definitief bewijs opduikt is het dus beter om ervanuit te gaan dat Rezon iemand anders was dan Hezion. 16 Zie boven, bij Hadad, voor de conclusie dat Tabrimmon van Hadad afstamde en Rezon niet.

Tabrimmon betekent “Rammān is goed”; Rammān was een bijnaam van Hadad. In de Bijbel is dit Rimmon (2 Kon 5:18). 17

ca.910/900-875

Asa van Juda (912/1-871/0) werd aangevallen door Baësa van Israël (909/8-886/5). Asa stuurde daarop het zilver en goud uit de tempel en het paleis naar “Benhadad, zoon van Tabrimmon, zoon van Hezion, koning van Syrië, die in Damascus woonde, om te zeggen: Er is een verbond tussen mij en u, tussen mijn vader en uw vader. Zie, ik stuur u een geschenk: zilver en goud. Ga, verbreek uw verbond met Baësa, de koning van Israël, zodat hij van mij wegtrekt. Benhadad luisterde naar koning Asa, en stuurde de bevelhebbers van de legers die hij had, op de steden van Israël af, en hij versloeg Ijon, Dan, Abel Beth-Maächa en heel Kinneroth, met heel het land van Naftali.” (1 Kon 15:16-20)

Deze gebeurtenis staat ook in 2 Kronieken 16:1-4. Hier zijn de steden “Ijon, Dan en Abel-Maïm, met alle voorraadsteden van Naftali.” en is Baësa’s inval gedateerd in het 36e jaar van Asa (vers 1), 876/5. Baësa was toen alleen al 10 jaar overleden. Het is mogelijk dat hier het 36e jaar sinds de scheuring van Salomo’s rijk wordt bedoeld. Het was dan in jaar 16 (896/5). 18 De inval van Baësa sluit dan direct aan op Asa’s strijd tegen de afgoderij in jaar 15 (2 Kro 15:10).

De vader van Benhadad II

Benhadad (II) die tegen Achab streed, zei tegen hem: “De steden die mijn vader uw vader ontnomen heeft, zal ik teruggeven. U mag in Damascus een markt vestigen, zoals mijn vader in Samaria heeft gedaan.” (1 Kon 20:34) Achabs vader is Omri (885/4-874/3). Benhadads vader wordt niet bij naam genoemd, maar in de telling van Nicelens en Josephus kan hij alleen Benhadad I zijn.

ca.875-860

Hij verloor twee oorlogen van Achab (874/3-853) (1 Kon 20), maar was buiten Israël machtig: “Benhadad, de koning van Syrië, bracht heel zijn leger bijeen, en er waren tweeëndertig koningen met hem, en paarden en strijdwagens.” (vers 1) Na deze oorlogen sloot Achab een verbond met hem (vers 34).

Zoals uitgelegd in de inleiding kwamen deze oorlogen waarschijnlijk aan het begin van Achabs regering. Op dat moment waren er al meerdere jaren verstreken; nadat Achab God verliet liet Hij “deze jaren” geen dauw of regen komen (1 Kon 17:1). Dit was 3 jaar en 6 maand (Luk 4:25). Het was dus op zijn vroegst in jaar 4 van Achab, 871/0.

Benhadad II wordt ook vermeld door Nicolens, die geciteerd is door Josephus: “But the third (opvolger van Hadad) was the most powerful of them all, and was willing to avenge the defeat his forefather had received; so he made an expedition against the Jews, and laid waste the city which is now called Samaria.” 13

ca.860-843

Salmaneser III van Assyrië vocht in jaar 6 (853) bij Qarqar tegen “Hadad-ezer (Adda-idrī, mdIŠKUR-id-ri, IŠKUR is de god Adad/Hadad) of Damascus (and) Irḫulena of the land Hamath, together with twelve kings on the shore of the sea, trusting in their united forces”. In zowel jaar 10 (849) als 11 (848) vocht Salmaneser tegen “Hadad-ezer of Damascus (and) Irḫulena of the land Hamath, together with twelve kings on the shore of the sea, trusting in their united forces”, en in jaar 14 (845) tegen “Hadad-ezer of Damacsus, (and) Irḫulena of the land Hamath, together with twelve kings on the shore of the sea, above and below”. 19 Bij hun vierde strijd werden Hadadezer en Irhulena volgens een andere tekst bijgestaan door “fifteen cities on the shore of the [sea]”. 20 Alle keren claimt Salmaneser de overwinning.

In jaar 15 (844) vocht Salmaneser tegen “Irḫulena of the land Hamath (and) Hadad-ezer of Damascus, together with twelve kings along the seashore [and the banks of] the Euphrates River, trusting in their combined frces, attacked me to wage war and strife.” 21 Deze overwinning wordt duidelijker beschreven in een tekst die Irhulena weglaat, maar niet de twaalf bondgenoten: “I (Salmaneser III) laid low 29,000 of his (Hadadezers) brave warriors like sheep (and) threw the remnant of his troops into the Orontes River. In order to save their (own) lives, they fled.” 22

Hij stierf in 841 of eerder, want toen was zijn opvolger Benhadad al vermoord door Hazaël; zie onder.

In de Bijbel

Achab sneuvelde in 853 tegen een koning van Syrië, wiens naam niet wordt genoemd (1 Kon 22). Door de datering kan dit alleen Hadadezer zijn, de tegenstander van Salmaneser. De aanleiding op de strijd was een oorlog die eerder was uitgevochten: “Drie jaar zaten zij stil: er was geen oorlog tussen Syrië en Israël. Het gebeurde echter in het derde jaar dat Josafat, de koning van Juda, naar de koning van Israël toe ging.” (vers 1-2) Het derde jaar was 853; het eerste jaar van het stilzitten was dan 855. Hadadezer regeerde dan al in 855.

Opnieuw een anonieme koning van Syrië wordt vermeld in de tijd van Achabs zoon Joram (852-841): “Naäman, de bevelhebber van het leger van de koning van Syrië, was een aanzienlijk man in de ogen van zijn heer en van hoog aanzien, want door hem had de HEERE de Syriërs verlossing gegeven. Deze man was een strijdbare held, maar hij was melaats.” (2 Kon 5:1) De datering doet denken aan Hadadezer. Het is verleidelijk om in deze verlossing een van de oorlogen tegen Salmaneser te zien, maar er is veel onbekend over Hadadezers regering. Voordat Naäman genezen werd waren van Jorams dagen al meerdere jaren verstreken, genoeg voor een jongen om geboren en groot te worden (2 Kon 4:16-18). Na Achabs rijkdom en macht was Israël zo verzwakt dat er Syrische bendes binnentrokken, die inwoners roofden (2 Kon 5:2). Als het inderdaad om een verlossing van Salmaneser gaat, zal het daarom gaan om de strijd uit 844, de laatste van Salmaneser tegen Hadadezer.

Een derde vermelding van een anonieme koning van Syrië was opnieuw in de tijd van Joram: “De koning van Syrië voerde oorlog tegen Israël”. Zijn leger omsingelde Dothan en Elisa leidde hen naar Samaria. “Hij (de koning van Israël) bereidde daarop een grote maaltijd voor hen, en zij aten en dronken. Daarop stuurde hij hen terug en gingen zij naar hun heer. En de benden van de Syriërs kwamen niet meer in het land Israël terug.” (2 Kon 6:8-23) In het volgende vers heeft de koning van Syrië wel een naam, Benhadad (2 Kon 6:24). De oorlogvoerder kan daarom opnieuw Hadadezer zijn, die al één en mogelijk twee keer anoniem bleef.

ca.843-842

In de tijd van Joram (852-841): “Het gebeurde daarna, dat Benhadad, de koning van Syrië, zijn hele leger verzamelde, optrok en Samaria belegerde.” In Samaria ontstond een flinke hongersnood en de inwoners werden wanhopig. De strijd was bijna verloren voor Israël, maar de Syriërs vertrokken uit zichzelf. “De Heere had het leger van de Syriërs namelijk een geluid laten horen van strijdwagens en een geluid van paarden – het geluid van een groot leger – zodat zij tegen elkaar zeiden: Zie, de koning van Israël heeft de koningen van de Hethieten en de koningen van de Egyptenaren tegen ons ingehuurd om ons aan te vallen.” (2 Kon 6:24-7:6)

Ook in de dagen van Joram werd Benhadad ziek en vermoord door Hazaël, die daarna de troon besteeg (2 Kon 8:7-15).

Benhadads (korte) tijd valt volledig tussen de laatste gedateerde vermelding van Hadadezer, in 844, en de eerste vermelding van Hazaël als koning, in 841.

ca.842-810

Elia kreeg in de dagen van Achab van God de opdracht om in de woestijn van Damascus Hazaël te zalven tot koning van Syrië, Jehu tot koning van Israël en Elisa tot zijn eigen opvolger. “En het zal gebeuren dat Jehu zal doden wie aan het zwaard van Hazaël ontkomt, en Elisa zal doden wie aan het zwaard van Jehu ontkomt.” (1 Kon 19:15-17) Dit was voor Achabs oorlogen met Benhadad II (hoofdstuk 20) en dus, zoals beredeneerd in de inleiding, aan het begin van Achabs regering. Het was dan ca.870 of misschien iets later, maar niet veel.

Hazaël werd koning na de laatste vermelding van Hadadezer in 844, maar voor Jorams dood in 841. Joram stierf namelijk toen hij gewond was geraakt in een strijd tegen Hazaël (2 Kon 9:14). Ik denk dat Hazaël in 842 of 841 koning werd; hij hongerde naar de macht. Toen hij van Elisa hoorde dat hij de vestingen van Israël in brand zou steken en Israëlieten op een gruwelijke manier zou vermoorden, had hij het over “deze grote daad”. Toen Elisa vervolgens zei dat hij koning van Syrië zou worden aarzelde hij niet, maar vermoordde zijn heer de volgende dag en nam zijn plaats in. (2 Kon 8:12-15) Met deze honger zal Hazaël niet hebben gewacht om Israël aan te vallen. Ook had God tegen Elia gezegd: “En het zal gebeuren dat Jehu zal doden wie aan het zwaard van Hazaël ontkomt”. (1 Kon 19:17) Jehu begon met moorden in Jorams sterfjaar (2 Kon 9:14, 24) en Hazaël moet daarvoor iemand hebben gedood. Het is alleen niet duidelijk of dat gaat over de oorlog waarin Joram gewond raakte, of eerder.

Hazaël stierf in de dagen van Jehu’s opvolger, Joahaz (816/5-800/799), en werd opgevolgd door zijn zoon Benhadad (III) (2 Kon 13:3). Hazaëls dreigende strijd tegen Joas van Juda (2 Kon 12:17-18) wordt vermeld na Joas’ jaar 23, 814/3 (2 Kon 12:6) Hij stierf dus ook na 814. Omdat zijn eerste vermelding uit ongeveer 870 kwam zal hij rond 810 zijn gestorven, op een mooie leeftijd.

Hij had niet verwacht dat hij koning zou worden (2 Kon 8:13). Ook volgens Salmaneser was hij niet de zoon van zijn voorganger: “Hadad-ezer passed away (and) Hazael, son of a nobody, took the throne.” 10 Dat hij een Benhadad vermoordde en zijn zoon Benhadad noemde is volgens Luckenbill moeilijk voor te stellen, tenzij hij verwant was aan de eerdere Benhadads. 9

Een beeldje, mogelijk van Hazaël 23

Hazaël aan de Eufraat

Naast de Bijbel en in Assyrische bronnen wordt Hazaël wordt vermeld op een ijzeren plaquette uit Ḫadattu (nu ’Arslān Ṭāš) aan de Eufraat. Hier staat in het Arameese onder andere: “belonging to/for our lord, Hazael”. 24 Ḫadattu was toen in handen van Assyrië; de plaquette is gevonden in een gebouw in Neo-Assyrische stijl, naast een paleis van Tiglath-Pileser III. Het zal een deel van de buit zijn van Adad-nirari III (810-783) of Tiglath-Pileser III (744-727). 25

Strijd met Salmaneser III

Salmaneser III van Assyrië streed in jaar 18 (841) tegen Hazaël. “Hazael (mḫa-za-a’-DINGIR) of Damascus, trusting in the might of his soldiers, carried out an extensive muster of his troops. He fortified Mount Saniru, a mountain peak that is before Mount Lebanon. I fought with him (and) defeated him. I struck down 16,000 of his fighting men with the sword (and) took away from him 1,121 of his chariots (and) 470 of his cavalry with his military camp. In order to save his (own) life, he ran away, (but) I pursued him. I imprisoned him in Damascus, his royal city, (and) cut down his gardens.” 26

Drie jaar later blijkt Hazaël Mount Saniru niet te hebben terugveroverd. Volgens Salmaneser III: “[In] my [twenty-first regnal year (838)] I [crossed] the Euphrates for the twenty-first time (and) received tribute from all the kings [of the land Ḫat]ti (Syrië). Moving on from [the land Ḫatti] I took to the slopes of Mount Lebanon. I crossed Mount Saniru (and) went down to the cities [of] Hazael of Damascus. [All] of the cities became frightened (and) took to the mountain for their protection. I conquered by means of [tunnels], battering-rams, (and) siege towers the cities Ia… […, …], Danabu, Malaḫu, fortified cities. I massacred (and) plundered them. I razed, destroyed, (and) burned the [cities].” 27 Salmaneser had in deze strijd vier steden veroverd. 28 Uit Assur komt een kraal met de tekst: “Booty of the temple of the deity Šēru of the city Malaḫu, a royal city of Hazael (mḫa-za-DINGIR) of Damascus, which Shalmaneser (III), son of Ashurnasirpal (II), king of Assyria, brought back inside the wall(s) of the Inner City (Aššur).” 29

Een lijst die begint met Salmanesers jaar 19 noemt voor jaar 21 (838) een oorlog tegen Malaḫu en voor jaar 22 (837) een oorlog tegen Danabu, steden die Salmaneser veroverde op Hazaël. In zijn annalen is dat slechts één jaar. Dus of de schrijver heeft zich vergist, of de annalen zijn bewerkt. 30

Na Salmanesers overwinningen werd Hazaël weer machtig. Volgens [Adad-nir]ari (III) van Assyrië (810-783), op zijn stela uit Sab’a: “I mustered the land (and) commanded the extensive troops of Assyria to march to the land Ḫatti. I crossed the Euphrates River in flood. The kings of the wide [land Ḫatti] who in the time of Šamšī-Adad (V, 823-811), my father, had become strong and withheld their [tribute]”. 31 Hazaël kan tot ongeveer 820 een onderdaan van Assyrië zijn geweest, waarna hij ruimte kreeg om zijn gebied uit te breiden naar het zuiden.

Strijd in Israël en Filistea, bijna in Juda

“In die dagen (Jehu’s dagen) begon de HEERE Israël kleiner te maken, want Hazaël versloeg hen in alle gebieden vanaf de Jordaan, waar de zon opkomt: het hele land van Gilead, van de Gadieten, de Rubenieten en de Manassieten; vanaf Aroër, dat aan de beek Arnon ligt: Gilead en Basan.” (2 Kon 10:32-33) Zolang Hazaël door zijn problemen met Assyrië Israël tot ongeveer 820 links liet liggen, kon Jehu (841-814/3) tot die tijd doen “alles wat hij gedaan heeft en al zijn macht” (2 Kon 10:34) bereiken.

Hazaël ging verder dan alleen het Overjordaanse. In de Lucianische versies van de Septuagint staat een extra zin na 2 Koningen 13:22: “And Hazael seized Philistia from his hand from the Western Sea unto Apheq”. Deze hand is die van Jehu’s opvolger Joahaz (816/5-800/799). 32 “Toen trok Hazaël, de koning van Syrië, op en streed tegen Gath en nam het in. Daarna zette Hazaël er zijn zinnen op om tegen Jeruzalem op te trekken.” Joas, de koning van Juda (835-797/6), plunderde toen de tempel om daarmee de aanval af te kopen, waarna Hazaël van Jeruzalem wegtrok. (2 Kon 12:17-18) Dit was ergens na jaar 23, dat eerder in dit hoofdstuk wordt genoemd (vers 6), ofwel na 814/3.

Jizreël, waar Achab en Joram een paleis hadden, werd na slechts een korte tijd totaal verwoest en verlaten. De stad was belangrijk in Israël, dus de dader kwam van elders. Een logische kandidaat is Hazaël. Volgens Elisa zou Hazaël de vestingen van Israël in brand steken (2 Kon 8:12) en hij veroverde Gilead met veel geweld (Amos 1:3). In het zuiden van Jizreël zijn acht speerpunten gevonden, bij de poort en de toren, dus de stad kwam met geweld aan haar eind. Ook rond deze tijd werden verwoest Megiddo (stratum VA-IVB), Yokneam (stratum XIV), Beth-Sean (stratum Lower VB) en Tel ‘Amal, waarvan de eerste drie waarschijnlijk pas na het einde van de Syrische overheersing werden herbouwd. Gath, dat Hazaël ook veroverde (2 Kon 12:17), herstelde nooit van Hazaëls verwoesting en werd een grensstad van Asdod. 33 De bedoelde strata in Megiddo en Yokneam werden bewoond in de IJzertijd IIA. In dezelfde tijd werd Tel Rehov stratum IV verwoest. 34 De IJzertijd IIA begon in de tijd van Achab en van Josafat (871/0-846/5), wat op tijd is voor Hazaëls verwoestingen.

“Hij (God) gaf hen (Israël) al die dagen (van Joahaz) in de hand van Hazaël, de koning van Syrië, en in de hand van Benhadad, de zoon van Hazaël. (…) En de HEERE gaf Israël een verlosser, zodat zij van onder de hand van de Syriërs uitkwamen; en de Israëlieten woonden als voorheen in hun tenten.” (2 Kon 13:3, 5) De verlosser is in mijn chronologie Shoshenq I (818-797); zie hier voor zijn oorlog in Juda en Israël.

ca.810-798

Benhadad, de zoon van Hazaël, werd koning van Syrië in de dagen van Joahaz, toen Syrië Israël onderdrukte (2 Kon 13:3). Voor de datering van de machtswisseling op ca.810, zie Hazaël.

“Joas (800/799-784/3), de zoon van Joahaz, nam uit de macht van Benhadad, de zoon van Hazaël, de steden terug die Hazaël in de oorlog uit de macht van zijn vader Joahaz genomen had. Joas versloeg hem driemaal en bracht de steden van Israël weer aan Israël terug.” (2 Kon 13:25) Joas versloeg de Syriërs in Afek, “tot vernietiging toe” (vers 17). Hiermee eindigde de Syrische onderdrukking van Israël (vers 17).

“Bar-hadad son of Hazael, king of Aram,” wordt vermeld op de stela van Zakar, koning van Hamath en Laash. Bar-hadad verzamelde 17 koningen en begon Hazrak te belegeren. Zakar raadpleegde zijn zieners en astrologen, die namens zijn heer van de hemel zeiden dat hij verlost zou worden. Of dat ook gebeurde is onduidelijk, want hierna eindigt het bewaard gebleven deel van de tekst. 35

ca.798-na 796

Mari wordt wel geïdentificeerd met Hazaël of zijn zoon Benhadad, omdat het Aramees is voor “mijn heer”. De moeilijkheid daarmee is dat mari geen titel was, maar een aanspreekvorm. 36 Omdat in de Bijbel rond deze tijd een paar keer een anonieme koning van Damascus vermeldt, terwijl Hazaël en zijn zoon Benhadad keurig bij naam genoemd worden, ga ik ervanuit dat Mari een ander was.

De enige vermeldingen van zijn naam komen waarschijnlijk uit 796. Benhadad III werd verslagen door Joas van Israël, die in 800/799 begon te regeren, dus de machtswisseling was ca.798.

Assyrië

Van Adad-nirari III (810-783): “I mustered my chariotry, troops, (and) armed forces (and) ordered the march to the land Ḫatti. In one yar, I made lands Amurru (and) Ḫatti in their (text “its”) entirety bow down at my feet. I imposed upon them tax (and) tribute forever. I (text “he”) received 2,000 talents of silver, 1,000 talents of copper, 2,000 talents of iron, 3,000 talents linen garments with multi-colored rims (as) the payment of Mari (mma-ri-i’) of Damascus. I (text “he”) received the payment of Joash (Iū’āsu) of the land Samaria (Israel), (as well as that) of the people of Tyre (and) Sidon.” 37

Van de stela van [Adad-nir]ari (III) uit Sab’a: “I commanded [my troops to march to Damascus]. I [confined] Māri’ in Damascus [… He brought to me] 100 talents of gold (and) 1,000 talens of silver as tribute. [I received it and took it to Assyria].” 38 De stela is gedateerd op jaar 5 (806), maar de onderwerping van Damascus aan Assyrië was later; het was waarschijnlijk in 796. 39 Het jaar 796 is gekozen omdat de stela een samenvatting lijkt van al Adad-nirari’s oorlogen in Syrië. Hij vocht in 805 tegen Arpad en in 804 tegen Ḫazazi, steden in het noorden, in 803 tegen Ba‘li, waarschijnlijk ergens in Syrië, en in 796 naar Manṣuate, in het midden of zuiden; Manṣuate was voor zover bekend het zuidelijkste van de vier. De oorlog tegen Damascus is dan de laatste en met een reden de meest uitgebreid beschrevene. Ook past het bij de vermelding van Joas van Israël, die in 805-803 nog geen koning was. 40

“I (Adad-nirari III) marched to Damascus. I confined Māriʾ, the king of Damascus, in Damascus, his royal city. The awesome brilliance of (the god) Aššur, my (text “his”) lord, overwhelmed him (and) he (then) grasped my feet and became my vassal. Within his palace in Damascus, his royal city, I received 2,300 talents of silver, 20 talents of gold, 3,000 talents of bronze, 5,000 talents of iron, linen garments with multi-colored trim, an ivory bed, a couch with inlaid ivory, his property (and) possessions without number.” 41

In de Bijbel

“Daarom gebeurde het bij de wisseling van het jaar, dat het leger van Syrië tegen hem (Joas) optrok, en zij drongen Juda en Jeruzalem binnen en richtten onder het volk alle leiders van het volk te gronde. Al hun buit stuurden zij naar de koning van Damascus. Hoewel het leger van Syrië met weinig mannen kwam, gaf de HEERE toch een zeer groot leger in hun hand, omdat de Judeeërs de HEERE, de God van hun vaderen, verlaten hadden. Zo voltrokken zij strafgerichten aan Joas.” (2 Kro 24:23-24) Dit is Joas van Juda (835-797/6), die direct hierna werd vermoord (vers 25). De Syriërs drongen dus in de lente van 796 binnen.

De koning van Syrië is anoniem, dus hij zal een ander zijn dan Hazaël en zijn zoon Benhadad, die wel met naam in de Bijbel voorkomen. Hij zal dan Mari zijn, die waarschijnlijk ook in 796 vermeld wordt door Adad-nirari.

(na 783)-774/3

Uzzia is de koning van Juda (783-732/1). Dat hij over Damascus regeerde blijkt alleen uit een opmerking over zijn collega in Israël, Jerobeam II (785/4-745). Over Jerobeam staat geschreven dat hij “Damascus en Hamath van Juda aan Israël teruggebracht heeft” (2 Kon 14:28).

Het einde van Uzzia’s overheersing is waarschijnlijk te dateren tussen 774-770, waarna Osorkon II (792-763/1) van Egypte mogelijk hem versloeg; zie hier. In dat geval zegt de Assyrische vermelding van een andere koning van Damascus, die geplaatst kan worden in 773, dat Uzzia dit of in 774/3 verloor, of juist na dat jaartal.

in 773

“Shalmaneser (IV, 782-773), strong king, king of Assyria, son of Adad-nārārī (III), strong king, king of the world, king of Assyria, son of Šamšī-Adad (V), king of the four quarters (of the world): When Šamšī-ilu, the field marshal, marched to Damascus, I received the payment of Ḫadiānu of Damascus: silver, gold, copper, his royal bed, his royal couch, his daughter, together with her extensive dowry, the property of his palace, without number.” 42 De Assyrian Eponym Chronicle vermeldt een oorlog met Damascus in 773.

(na 773)-(745 of eerder)

“Hij (Jerobeam II, 785/4-745) bracht ook het gebied van Israël van Lebo-Hamath tot de zee van de Vlakte aan Israël terug” (2 Kon 14:25). Lebo-Hamath lag ten zuiden van Damascus (Ez 48:1) en de zee van de Vlakte is de Dode Zee (Joz 3:16), dus dit gaat over Gilead, dat al sinds Hazaël en Jehu eigendom was van de koning van Damascus. Lebo-Hamath is aan de zuidelijkste grens van Hamath. Ook de Assyriërs vielen Hamath rond deze tijd aan; oorlogen tegen Ḫatarikka (Ḥazrak), in het noorden van Hamath, worden vermeld in 772, 765 en 755. 43

In de tijd van Jerobeam werd de situatie uit Davids en Salomo’s tijd hersteld, en heerste niet Damascus over Israël, maar Israël over Damascus. Over Jerobeam staat namelijk geschreven dat hij “Damascus en Hamath van Juda aan Israël teruggebracht heeft” (2 Kon 14:28). Dat was mogelijk nadat Osorkon II ergens voor 770 in Opper-Retjenu (Syrië en Libanon) vocht; zie hier. Wanneer de overheersing eindigde is onbekend, maar in 740 was Rezin koning van Damascus; zie onder. Het is mogelijk dat de overheersing van Damascus eindigde met Jerobeam II’s dood, toen verschillende opvolgers streden om de macht. 44

Tab’el

Een paar koningslijsten op internet noemen een zekere Tab’el tussen Ḫadiānu en Rezin. Dit zal gebaseerd zijn op een theorie van Kraeling, die dacht dat “de zoon van Tabeal” (Jes 7:6), die te maken had met Rezins aanval op Juda, Rezin was, en zijn voorganger op de troon van Damascus 45. De identificatie als koning van Damascus is dus alleen een theorie en hoort niet thuis in de lijst.

voor 740-732

Tribuut aan Assyrië

“The payment of Kuštašpi of the city Kummuḫu, Raḫiānu (mra-ḫi-a-nu, Rezin) of the land Damascus, Menahem of the city Samaria, [Hiram of the city] Tyre, Sibitti-Bi’il of the city Byblos, (etc.)” 46 wordt meerdere keren vermeld. Menahem staat er telkens bij; de twee tributen kunnen worden gedateerd op 740 en 738. 47

“From Raḫi[ā]nu (Rezin) of the land Dam[ascus …] 3 talents of gold, 300 talents of silver, 200 talents of … […], 20 talents of ladanum resin, 300 … 30 […; (from) …], Kuštašpi of the land Kummuḫu, […, …] of the land Tyre, Uriaikki of the land [Que, …], Pisīris of the city Carchemish, Tarḫu-lara [of the land Gurgum, …] iron, elephant hides, ivory, red-purple wool, […]” 48

In de Bijbel

In de dagen van Jotham (749-730): “In die dagen begon de HEERE Rezin, de koning van Syrië, en Pekah (751/0-731/0), de zoon van Remalia, op Juda af te sturen.” (2 Kon 15:37)

In de dagen van Achaz (734-715) trokken Rezin en Pekah “ten strijde tegen Jeruzalem. Zij belegerden Achaz, maar waren niet tot strijden in staat. In diezelfde tijd bracht Rezin, de koning van Syrië, Elath terug aan Syrië en verdreef hij de Judeeërs uit Elath; de Syriërs kwamen naar Elath en woonden daar tot op deze dag.” Achaz bood toen Tiglath-Pileser (III, 744-727) van Assyrië aan om zijn onderdaan te worden, als Tiglath-Pileser hem zou verlossen van Rezin. “De koning van Assyrië luisterde naar hem: de koning van Assyrië trok op tegen Damascus, nam het in en voerde de inwoners weg naar Kir, en Rezin doodde hij.” (2 Kon 16:5-9)

Rezins ondergang

Tiglath-Pileser beschreef zijn oorlogen uit 734-732 niet in chronologische volgorde, maar in geografische volgorde. Wanneer iets plaatsvond is dus onduidelijk. De Assyrian Eponym Chronicle vermelden voor deze jaren: 734 Philistia, 733 Damascus, 732 Damascus. 49 Een oorlog tegen Rezin van Damascus wordt in vier teksten genoemd:

  1. “[of] Raḫiānu [of the land Damascus … I carried off his he]avy [booty. …] his advisor [… With the blood of hi] war[riors I] dyed the […] River, […, a] raging [torrent], red [like a fl]ower. [I …] his [lead]ers, charioteers, and […]. I broke their weapons. I cap[tur]ed … their horses, [their] mul[es], his [war]riors, arches, (as well as his) shield [bea]rers (and) lancers, and [I disper]sed their battle array. In order to save his life, he (Raḫiānu) fled alone and entered the gate of his city [like] a mongoose. I [im]paled his foremost men alive while making (the people of) his land watch. For forty-five days I set up my camp [aro]und his city and confined him (there) like a bird in a cage. I cut down his plantations, […] …, (and) orchards, which were without number; I did not leave a single one (standing). I surrounded (and) captured [the city …]ḫādara, the ancestral home of Raḫiānu of the land Damascus, [the pl]ace where he was born. I carried off 800 people, with their possessions, their oxen, (and) their sheep and goats. I carried off 750 captives from the cities Kuruṣṣâ (and) Samāya, (as well as) 550 captives from the city Metuna. Like tell(s) after the Deluge, I destroyed 591 cities of 16 districts of the land Damascus.” 50
  2. “I annexed [to Assyria the extensive land of Bīt-Ḫazā-il (Damascus) in its entirety, from Mount leb]anon as far as the cities Gilea[d (and) Abil-šiṭṭi, which are on the border of the land Bīt-Ḫumrî (Israel), and I placed] a eunuch of mine [as provincial governor over them].” 51
  3. “I annexed to Assyria […, the city Kaš]pūna, which is on the shore of the Upper (text: “Lower”) Sea, the cities […]nite, Gil[ead, and] Abil-šiṭṭi, which are the border of the land Bīt-Ḫumrî (Israel), the extensive [land of Bīt-Ḫazā-i]l (Damascus) in [its] en[tirety, (and) I pla]ced [… eunuch]s of mine as provincial governors [over them].” 52
  4. “[I annexed] to Assyria the extensive [land of Bīt]-Ḫazāīl (Damascus) in its entirety, from Mount [Lebanon as far as the cities Gilead (and) Abil-šiṭṭi, which are on the bor]der of the land Bīt-Ḫumrî (Israel), (and) [I placed a eunuch of mine as provincial governor over them.
    [(As for) Hi]ram of the land Tyre, who conspired with Raḫiānu (against me), […] – I captured (and) plun[dered the city] Maḫalab, his fortified city, together with (other) large cities (of his). […] he came [be]fore me and kissed my feet. [I received] twenty talents of [gold, …] multi-colored [garments], linen garments, eunuchs, male (and) female singers, … […], Egypt[ian horses, …].” 53

Het is mogelijk dat de eerste tekst alleen de eerste oorlog tegen Damascus beschrijft. Daarin staat namelijk niet dat Tiglath-Pileser een van zijn eunuchen over Damascus aanstelde.

Familie

Rezin regeerde volgens Tiglath-Pileser over het huis van Hazaël. Hij kan dan een nakomeling zijn van Hazaël.

Assurbanipal, koning van Assyrië (668-631), vermeldt “Uaite’ (Iauta’), son of Hazael, son of the brother of the father of Uaite’, son of Bir-Dāda, who made himself king of the land of the Arabs”, in een uitgebreide beschrijving van meerdere oorlogen tegen Uaite. 54 Het is verleidelijk om hierin nakomelingen van Hazaël en Benhadad uit Damascus te zien. 55

  1. Matson Collection – Library of Congress[]
  2. D. D. Luckenbill, Benhadad and Hadadezer, in The American Journal of Semitic Languages, Volume 27, No. 3 (Apr., 1911), p. 267-284[]
  3. Luckenbill, op. cit., p. 267-275[]
  4. Luckenbill, op. cit., p. 276-278[]
  5. Psalter, Ms. A, 1665, f. 205[]
  6. Luckenbill, op. cit., p. 279-281. Luckenbill dacht dat de vrede uit 1 Koningen 22:1 de tijd was tussen de slag van Qarqar en Achabs dood, maar dat komt door de chronologie uit zijn tijd. Nu is bekend dat dat in hetzelfde jaar was.[]
  7. Wayne T. Pitard, Ancient Damascus : a historical study of the Syrian city-state from earliest times until the fall to the Assyrians in 732 B.C.E. (1987), p. 115-116. Een groot nadeel is dat je moet inloggen om dit te kunnen lezen.[]
  8. Pitard, op. cit., p. 116-120[]
  9. Luckenbill, op. cit., p. 281[][][]
  10. Tekst Shalmaneser 040, regels i 25-i 27a[][]
  11. Pitard, op. cit., p. 135[]
  12. Pitard, op. cit., p. 136-137[]
  13. Flavius Josephus, Antiquities of the Jews, 7.5.2[][][]
  14. Flavius Josephus, Antiquities of the Jews, 8.7.8, waar staat dat Salomo 80 jaar regeerde en 94 jaar werd.[]
  15. Zie de commentaren op 1 Kings 11:23.[]
  16. Pitard, op. cit., p. 100-104[]
  17. Pitard, op. cit., p. 107[]
  18. Cambridge Bible for Schools and Colleges, commentaar op 2 Chronicles 16:1[]
  19. Tekst Shalmaneser III 006, regels ii 19-33 voor jaar 6, ii 55-67 voor jaar 10, ii 68-iii 15 voor jaar 11 en iii 24-33 voor jaar 14[]
  20. Tekst Shalmaneser III 023, regels 21-22[]
  21. Tekst Shalmaneser III 030, regels 18b-28a[]
  22. Tekst Shalmaneser 040, regels i 14-24[]
  23. Unknown author[]
  24. Pitard, op. cit., p. 153[]
  25. Pitard, op. cit., p. 155-156[]
  26. Tekst Shalmaneser III 008, regels 1”-17”[]
  27. Tekst Shalmaneser 016, regels 152’-159’. Een beschadigde versie staat in Tekst Shalmaneser III 013, regels 4’b-11’[]
  28. Tekst Shalmaneser III 014, regels 102b-104a[]
  29. Tekst Shalmaneser III 092[]
  30. Pitard, op. cit., p. 149-150[]
  31. Tekst Adad-nerari III 06, regels 11b-15a[]
  32. Pitard, op. cit., p. 151-152[]
  33. Nadav Na’aman, Historical and Literary Notes on the Excavations of Tel Jezreel, in Tel Aviv 24 (1997), p. 125-126. Volgens Na’aman veroverde Hazaël ook Juda (hij verwijst naar 2 Kon 12:18-19, in de HSV is dat vers 17-18). Daar staat alleen dat Hazaël Gath innam en Jeruzalem wou veroveren, maar dat koning Joas van Juda de aanval afkocht met het goud uit de tempel en het paleis. Ook mist in de tijd van Joas’ opvolger, Amazia, elke vermelding van Hazaël of Syrië (2 Kon 14:1-22). Juda was toen juist onafhankelijk (vers 5, 22).[]
  34. Israel Finkelstein, Tel Rehov and Iron Age Chronology, in Levant 36 (2004), p. 185[]
  35. The Aramaic Inscription of Zakar, King of Hamath. Hier staat Bar-hada in regel 4, maar zie regel 5 voor Bar-hadad. In regel 11 staat ,e wat me moet zijn.[]
  36. Pitard, op. cit., p. 165-166[]
  37. Tekst Adad-nerari III 07, regels 4-8[]
  38. Tekst Adad-nerari III 06, regels 18-20[]
  39. Shuichi Hasegawa, Adad-nērārī III’s Fifth Year in the Saba’a Stela Historiographical Background, in Revue d’Assyriologie et d’archéologie orientale, Vol. 102 (2008), p. 92, en 94-96 voor een verklaring voor de datering op de stela[]
  40. Pitard, op. cit., p. 162-164[]
  41. Tekst Adad-nerari III 08, regels 15-21[]
  42. Tekst Shalmaneser IV 1, regels 1-10[]
  43. Pitard, op. cit., p. 176-177, met voetnoot 77[]
  44. Pitard, op. cit., p. 179[]
  45. Pitard, op. cit., voetnoot 104 op p. 184-185[]
  46. Tekst Tiglath-pileser III 14, regels 10b-11a. “Hiram of the city” zal aangevuld zijn vanuit Tekst Tiglath-pileser III 32, regel 2.[]
  47. Nadav Na’aman, Historical and Chronological Notes on the Kingdoms of Israel and Judah in the Eighth Century B.C., in Vetus Testamentum XXXVI, 1 (1986), p. 81[]
  48. Tekst Tiglath-pileser III 11[]
  49. Pitard, op. cit., p. 186[]
  50. Tekst Tiglath-pileser III 20, regels 1’-17’[]
  51. Tekst Tiglath-pileser III 50, regels r3-r4[]
  52. Tekst Tiglath-pileser III 42, regels 5’b-8’a[]
  53. Tekst Tiglath-pileser 49, regels r3-4 voor Damascus, r5-8 voor Tyrus[]
  54. Tekst Ashurbanipal 011, regels vii 82-x 5[]
  55. Luckenbill, op. cit., p. 274[]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *