Categorieën
6. Nieuwe Rijk Koningstijd Richters

De Filistijnen

Gevangen genomen Peleset (Filistijnen) op een reliëf in Medinet Habu, in de tijd van Ramses III 1

Egyptenaren en Filistijnen

De koningen van dynastieën XVIII en XIX vochten volgens hun verslagen een paar eeuwen lang in Israël, en velen van hen hadden het land binnen hun grenzen. Voor welke chronologie je ook kiest, als het waar is dat de Israëlieten al sinds 1406 in Kanaän woonden moeten minstens de meeste oorlogen van XVIII en XIX in de richterentijd terug te vinden zijn. Toch is de schoonvader van Salomo (971-931) (1 Kon 3:1) de eerste Egyptenaar die sinds de exodus wordt genoemd.

De Bijbel heeft het niet over een eeuwenlange strijd met de Egyptenaren, maar met de Filistijnen. Samgar versloeg een eerste inval in 1223, en ze waren de sterke tegenstanders in de periode van Simson (1124-1084) tot en met David (1011-971); na Davids laatste strijd tegen hen (2 Sam 21:15-22) is er van hun kracht nog nauwelijks iets over.

Als je de Filistijnen zoekt in de Egyptische bronnen kom je van een oude kermis thuis. Ramses III (937-906, een datering die tot stand kwam nadat de eerste versie van deze post al was geschreven) schrijft, in een tekst die moeilijk leesbaar is omdat Ramses telkens zo ontzettend wordt geprezen, dat de Peleset (Filistijnen) en andere volken onrustig waren op hun eilanden in het noorden. In jaar 8 (930/29) versloegen ze vanuit hun schepen een aantal havens in Turkije en Syrië. Op dat moment trok Ramses met zijn leger naar hen toe en versloeg hen in Djahy (het (noord)westen van het huidige Israël). Hij nam krijgsgevangenen van onder andere de Peleset en bracht ze naar zijn god, Amun, in Thebe. De Peleset zouden gezegd hebben: “Give to us the breath of our nostrils, O king, son of Amun.” Het belangrijkste voor deze post is dat Ramses’ tegenstanders, waaronder de Peleset, Egypte en de zo grote macht van Ramses niet kenden. 2

De Filistijnen vestigden zich daarom pas op zijn vroegst onder Ramses III in de Gazastrook. Dat is zelfs in de allerlangste chronologie niet vroeg genoeg. Ook Abraham (2166-1991) en Izak (2066-1886) ontmoetten al Filistijnen in het land waar de sterke tegenstanders van Simson en David woonden (Gen 21:32, 26:1), en deze Filistijnen waren ook niet de minste.

In deze post noem ik de Filistijnen die zich in 930/29 in de Gazastrook vestigden, Peleset, om hen te onderscheiden van de andere Filistijnen.

Kaftorieten en Avvieten

Het is Mozes die de eerste aanweijzing geeft voor de identiteit van de machtige Filistijnen. Mozes zei in zijn laatste toespraak, in 1406: “De Kaftorieten, die afkomstig zijn uit Kaftor, hebben de Avvieten, die tot aan Gaza in dorpen woonden, weggevaagd en zijn in hun plaats gaan wonen.” (Deut 2:23) Gaza ligt in Filistijns gebied, maar de Filistijnen noemt Mozes hier niet. Als je dat combineert met het feit dat de tijdgenoten van Abraham en Izak die daar woonden ook al Filistijnen worden genoemd, is de enige conclusie die ik kan trekken dat de naam Filistijnen voor de komst van de Peleset niet als volksnaam wordt gebruikt. Alle volken die ooit in de Gazastrook woonden worden in de Bijbel met die naam aangeduid.

Iemand moet dan in de oorspronkelijke tekst van de Bijbel de namen van de Avvieten en de Kaftorieten hebben veranderd in Filistijnen. Dat is niet heel opmerkelijk; meerdere namen zijn in de Bijbel ooit geüpdated naar de naam van een volk dat later op hun plek woonde. Het beste voorbeeld hiervan voor deze post is het moment waarop God een verbond sluit met Abraham. Hij beloofde de gebieden van tien volken, waaronder de Kenieten en de Kenezieten, aan Abrahams nakomelingen (Gen 15:18-21). Deze twee volken stammen af van Abraham, maar hij had op dat moment nog geen kinderen (Gen 15:2-6). De Kenieten en Kenzieten gingen dan op plekken wonen waar ooit andere volken woonden.

Deze theorie zou een paar dingen verklaren, en niet alleen de tekst van Ramses III. In de Septuagint wordt de naam Filistijnen meestal vertaald met αλλοφυλοι (allophyloi), “andere volken” (o.a. Richt 3:31, 14:1, 1 Sam 13:3, 1 Kon 15:27). Volgens een van de Joodse legendes, die niet altijd betrouwbaar zijn, waren de Filistijnen uit Davids tijd op geen enkele manier nakomelingen van de Filistijnen die een verbond met Izak hadden gesloten; zij kwamen pas lang daarna uit Cyprus. 3

De eerste Filistijnen: de Avvieten

Voor de identiteit van Abrahams tijdgenoten is het de vraag wanneer precies de Kaftorieten de Avvieten versloegen. In de Bijbel kan ik daar niks over vinden; ze worden alleen nog genoemd als een van de volken die niet door Jozua werden verslagen (Joz 13:3). (De Avvieten uit 2 Koningen 17:31 zijn een ander volk.)

Volgens de Talmud waren de Avvieten agressievelingen uit Teman (in Edom), en waren zij de Filistijnse tijdgenoten van Abraham. Hun land werd ingenomen door de Kaftorieten, “who are philistines”, wat geschreven is zonder hoofdletter! Abimelech, de koning van de Filistijnen, had met Abraham een verbond gesloten zodat Abraham zijn nakomelingen niet zou bedriegen (Gen 21:23). Doordat ze door de Kaftorieten waren verslagen konden de Israëlieten zonder dit verbond te verbreken, want dat gold niet meer, toch het land van de Filistijnen innemen. 4

Ook volgens Josephus kwamen de Kaftorieten pas na Abrahams tijd. Cephthorim was een stad in Egypte die verwoest werd in de Ethiopische Oorlog. 5 In deze oorlog drongen de Ethiopiërs (Cusjieten) Egypte binnen tot aan Memphis en verwoestten veel, tot ze werden verslagen door Mozes, die tot generaal voor de farao was verkozen. 6 De Avvieten worden alleen nog in Jozua 13:3 genoemd, en wel terwijl ze woonden in het gebied van de Filistijnen, die volgens deze theorie de Kaftorieten zijn. Later kunnen ze in de Kaftorieten zijn opgegaan. Dit vers betekent ook dat met de Filistijnen die bestonden voor de komst van de Peleset, de eigenaren van hun gebied worden bedoeld.

Het klinkt dus logisch om, als de naam Filistijnen inderdaad als een titel voor de eigenaren van het gebied wordt gebruikt, de tijdgenoten van Abraham en Izak te identificeren met de Avvieten, zoals de Talmud doet.

Verder is er weinig tot niks bekend over de Avvieten. Hun koning Abimelech heeft een Hebreeuwse naam, zijn vriend Ahuzzath (Gen 26:26) ook, en zijn legerbevelhebber Pichol (Gen 21:22, 32, 26:26) mogelijk ook. Het is dus mogelijk dat de Avvieten een Semitische taal spraken.

De tweede Filistijnen: de Kaftorieten

De Kaftorieten woonden daar in de tijd van Mozes. De Bijbel zegt verder niks over de komst van nieuwe volken naar het Filistijnse gebied. Dat betekent niet dat Samgar en David tegen de Kaftorieten vochten, want juist de komst van de Peleset wordt ook genegeerd.

Over de Kaftorieten is meer bekend dan over de Avvieten. Zij waren het zevende volk dat afstamde van Mitsraïm, de stamvader van de Egyptenaren; in ieder geval een groep Filistijnen waren weer nakomelingen van de Kasluchieten, het zesde volk uit dat rijtje (Gen 10:13-14). Dat deze Filistijnen de Peleset waren wordt bevestigd door Josephus. Hij schrijft dat de nakomelingen van Mitsraïm van Gaza tot Egypte woonden, en het naar een van Mitsraïms nakomelingen door de Grieken Palestina werd genoemd. 5 Dat is ook de conclusie die je kan trekken uit de bovenstaande legende, zolang die klopt op het punt dat Davids Filistijnen op geen enkele manier nakomelingen waren van degenen die met Izak een verbond hadden gesloten. Dat past; het Filistijnse land was in de tijden van Abraham en Izak geen onderdeel van Egypte (Gen 26:1-2).

Wat er hierna met de Kaftorieten gebeurde is onduidelijk. Ze moeten ooit onder de voet zijn gelopen door Egypte, want XVIII heerste al vroeg in haar bestaan over het Filistijnse gebied.

De derde Filistijnen: de Egyptenaren

Dan kom ik nu bij het hoofd-stuk van mijn theorie over de Filistijnen. Als uit Jozua 13:3 inderdaad de conclusie kan worden getrokken dat met de naam Filistijnen de eigenaren van hun gebied worden bedoeld, onafhankelijk van de identiteit van de bewoners, is het mogelijk dat er nòg een volk achter de naam Filistijnen schuilt.

Om terug te keren naar het probleem van de inleiding. De vele oorlogen van de Egyptenaren van dynastieën XVIII en XIX in Israël staan niet in de Bijbel. Dat is bijzonder, want ze waren sterk genoeg om het land lang te onderdrukken. Omgekeerd waren de Filistijnen sterk genoeg om het land lang te onderdrukken, maar zij worden weer niet door de Egyptenaren genoemd. Een land kan niet door twee volken tegelijk onderdrukt worden als die niet met elkaar samenwerken. Omdat van beide partijen geen verbond bekend is en uit de combinatie Deuteronomium 2:23 en Jozua 13:3 de conclusie is te trekken dat de Filistijnen een titel was voor de eigenaren van het gebied, is het mogelijk om de sterke Filistijnen, de tegenstanders van Samgar, Simson, Samuel, Saul en David, te identificeren met de Egyptenaren van XVIII en XIX.

Dat past. Het is ook nodig voor de betrouwbaarheid van de Bijbel om deze conclusie trekken. Zonder deze identificatie wordt de volledige macht van XVIII en XIX genegeerd door het land dat ze onderdrukten in de periode waarin ze het onderdrukten. Mèt deze identificatie vallen dingen, aan zowel de Bijbelse als de Egyptische kant, op hun plek. In plaats van de situatie in de standaardchronologie, waarbij de geschiedenissen van Israël en het Egypte van XVIII en XIX mijlenver bij elkaar vandaan liggen, onstaan er een heleboel raakvlakken. Een grove greep:

  • De Filistijnse tegenstander van Samgar (1223) was Hatshepsut (1228-1208).
  • De koningen van Kanaän die streden bij Taänach in het lied van Debora (Richt 5:19), streden tegen Thutmose III (1229-1175).
  • Tola (1169-1146) verloste Israël, maar er staat niet waarvan (Richt 10:1). Zolang de bovenstaande theorie klopt verloste hij Israël van Amenhotep II (1178-1152).
  • De Filistijnse stadsvorsten (1124-1084) tegen wie Simson (1104-1084) streed waren de stadsvorsten uit de Amarnabrieven, die geschreven zijn aan Amenhotep III (1142-1105) en Akhenaten (1105-1088). Deze stadsvorsten streden tegen de leider van de ‘Apiru (Hebreeën).
  • Eli (1124-1084) richtte in de tijd van Simson, en daarmee in de tijd van deze stadsvorsten. Daar is een aanwijzing voor te vinden.
  • De beroemde Tutankhamun (1082-1073) onderdrukte Israël.
  • Horemheb (1068-1054) onderdrukte Israël ook.
  • Seti I (1052-1043) veroverde Israël op Saul (1052-1011).
  • Ramses II (1043-977) werd verslagen door Saul. Beth-San, waar Sauls lichaam na zijn dood werd vastgestoken door de Filistijnen (1 Sam 31:10), ligt aan het eind van de Jizreeëlvallei, in de buurt van de Jordaan; dat is ver uit de buurt van het land van de Filistijnen. Beth-San had ook niks te maken met de Peleset. Als met deze Filistijnen de Egyptenaren van XVIII en XIX worden bedoeld, wordt Beth-San een logische keuze voor de vernedering van Sauls lichaam: het is de plek waar Seti I hem versloeg en waar hij Ramses II versloeg.
  • Merenptah (977-968) vermeldde op zijn Israël Stela de strijd van zijn zoon, de latere Seti II, als de Filistijnse tegenstander in Davids laatste oorlog (1 Sam 21:15-22). Op de stela noemt Merenptah het verwoesten van Israëls oogst, wat een hongersnood van een jaar veroorzaakte die indirect in de Bijbel wordt genoemd (2 Sam 24:13).

Deze heersers van Egypte zijn pas na het ontstaan van deze theorie gedateerd. Ik ging daarbij volledig uit van dat de Bijbel met de strijd met de Filistijnen, de strijd van XVIII en XIX bedoelde. Onder andere Hatshepsut, Thutmose III en Ramses II kunnen tot op het jaar precies worden gedateerd doordat er uit hun tijd een paar datums van nieuwe maan bekend zijn. Als deel van het resultaat van deze enorme puzzel konden onder andere de inval van Seti I en de hongersnood die Merenptah veroorzaakte precies in de jaren worden geplaatst, waarin de Bijbel een inval van de Filistijnen en een onverklaarde hongersnood in combinatie met een bijna verloren strijd tegen de Filistijnen plaatst.

Voor één theorie zijn dit bijzonder veel bevestigingen. Het zijn er zo veel en regelmatig tot op het jaar precies, dat ik er inmiddels vanuitga dat de identificatie van “de Filistijnen” met het volk dat op dat moment over het gebied van de Filistijnen heerste, klopt.

Filistijnen èn Egyptenaren

Ondanks het succes van deze theorie zijn er een paar verzen waarbij de Filistijnen en Egypte samen worden genoemd. Toch, door naar de context en de positie van Egypte op dat moment te kijken, zijn al deze verzen te verklaren:

“Toen de farao het volk had laten gaan, is het gebeurd dat God hen niet leidde langs de weg door het land van de Filistijnen, hoewel dat korter was.” (Ex 13:17) In Mozes’ tijd hielden de grenzen van Egypte op bij de oostelijke Nijldelta; de Israëlieten konden na de exodus ongestoord door de Egyptenaren door de Sinaïwoestijn lopen. Het land van de Filistijnen wordt in dit vers apart gezet, wat betekent dat het, zoals in de theorie, zelfstandig was.

Jozua 13:3: “vanaf de Sichor, die tegenover Egypte ligt, tot aan het gebied van Ekron in het noorden, dat tot het gebied van de Kanaänieten wordt gerekend. De vijf stadsvorsten van de Filistijnen, die van Gaza en die van Asdod, die van Askelon, die van Gath en die van Ekron, en de Avvieten;” De Israëlieten waren net veertig jaar niet meer gestoord door de Egyptenaren; het Egyptische rijk hield kennelijk nog steeds op aan de rand van de Sinaïwoestijn. Ook hier was het gebied van de Filistijnen zelfstandig, het stond los van Egypte.

“Maar de HEERE zei tegen de Israëlieten: Heb Ik u niet van de Egyptenaren verlost, en van de Amorieten, de Ammonieten en de Filistijnen”? (Richt 10:11) Hier kunnen twee verschillende onderdrukkingen worden bedoeld: de slavernij in Egypte en de eerste inval van de Egyptenaren van het Nieuwe Rijk, die door Samgar was afgeslagen. Hun rijk wordt namelijk gescheiden van dat van de koningen en farao’s uit de slavernij door de verdeeldheid van de Tweede Tussenperiode.

Richteren 10:11 is in de periode van de Ammonitische onderdrukking (1124-1106) en op dit moment heerste XVIII allang over het Filistijnse gebied. Thutmose III (1229-1175) reisde tijdens zijn eerste veldtocht zonder te hoeven strijden in een keer door naar Galilea; een van zijn tussenstops was in “the possession of the ruler”, Gaza. 7 In Gaza had hij waarschijnlijk een garnizoen gelegerd. 8

1 Koningen 4:21, 24: “Salomo heerste over alle koninkrijken van de rivier de Eufraat tot het land van de Filistijnen en tot aan de grens van Egypte. Zij brachten geschenken en dienden Salomo al de dagen van zijn leven. (…) Want hij heerste over al het land aan deze zijde van de rivier, vanaf Tifsah tot aan Gaza, over alle koningen aan deze zijde van de rivier, en hij had vrede aan al zijn zijden, van rondom.” Vers 21 wordt herhaald in 2 Kronieken 9:26, dat daarom hier niet is opgenomen.

In vers 21 heerste Salomo tot aan het Filistijnse land èn de grens van Egypte. De Filistijnen waren op dit moment dus onafhankelijk. Toch is in vers 24 Salomo’s gebied uitgebreid tot aan Gaza, de zuidelijkste van de vijf Filistijnse steden, en wordt het land van de Filistijnen niet eens meer genoemd. Deze verzen zijn een argument voor het bestaan van Irsu.

De vierde Filistijnen: de Peleset

Vanaf Salomo’s huwelijk met de dochter van de farao (1 Kon 3:1) wordt Egypte geen Filistijnen meer genoemd, maar Egypte. De reden daarvoor zal te maken hebben met het huwelijk; de eerste farao met een naam komt pas aan het eind van zijn regering, Sisak, ofwel Ramses III. Het is in zijn tijd, kort na Salomo’s dood, dat de Peleset zich op zijn vroegst vestigen in het land van de Filistijnen.

Er is iets opmerkelijks aan de Peleset. De Kaftorieten waren volgens Josephus afkomstig van de stad Cephthorim in Egypte; volgens de Bijbel kwamen de Peleset uit Kaftor. Amos, die profeteerde in de tijd van Uzzia (783-732/1) en Jerobeam II (785/4-745), anderhalve eeuw na de komst van de Peleset, profeteerde: “Heb Ik (God) Israël niet weggeleid uit het land Egypte, de Filistijnen uit Kaftor en de Syriërs uit Kir?” (Amos 9:7) Jeremia profeteerde: “Want de HEERE zal de Filistijnen verdelgen, het overblijfsel van het kustland van Kaftor.” (Jer 47:4)

Er moeten twee Kaftors hebben bestaan. Cephthorim lag ten zuiden van Memphis; als je daar naar het zuiden gaat is er pas in Zuid-Afrika een kustlijn te vinden. Het Kaftor waar de Peleset vandaan kwamen lijkt dan ook ergens anders te liggen.

Het Hebreeuwse woord achter kustland in het vers uit Jeremia, ‘i’, betekent ook eiland. Het lijkt dan te gaan om een kustland aan of een eiland bij het Aziatische deel van Turkije te gaan. De Septuagint vertaalt in het vers uit Mozes’ toespraak Kaftorieten uit Kaftor namelijk met Cappadociërs uit Cappadocië. In het vers uit Amos staat Filistijnen uit Cappadocië, en in Jeremia 9 gaat het over “de overgebleven inwoners van de eilanden”. Dat past uitstekend bij dat de Peleset en de andere aanvallers volgens Ramses III van hun eilanden in het noorden kwamen.

Dit Kaftor wordt al vroeg genoemd. Volgens de archieven van Mari stuurde een koning van Hazor omstreeks 1400, ofwel Ibni-Addu (Jabin) of een voorganger, giften naar Kaptara en Ugarit. 10 Toch is het onduidelijk waar Kaftor precies lag. Dat het Cappadocië wordt genoemd helpt niet heel veel, want de grenzen daarvan wisselden. Herodotus schrijft dat de Cappadociërs ten westen van de rivier Halys, die tegenwoordig de Kızılırmak heet, woonden waar deze naar het noorden afboog. 11 Volgens een wereldkaart uit de tijd van Clemenes I van Sparta, rond 500 v.Chr., woonden de Cappadociërs, die door de Grieken Syriërs werden genoemd, tussen de Frygiërs en de Ciliciërs; die laatsten woonden tot aan de zee, waar het eiland Cyprus ligt. 12 In de vijfde tot derde eeuw v.Chr., de tijd waarin de Septuagint werd vertaald, kon de naam Cappadocië zelfs worden gebruikt voor heel Aziatisch Turkije. 13

Ik denk dat het Kaftor van de Peleset Cyprus is, of anders een deel van dat eiland. Het is het enige grotere eiland in de buurt van Turkije. In Askelon, Asdod en Ekron, drie van de vijf grote Filistijnse steden, verschijnt aan het begin van de IJzertijd I, de tijd van Ramses III, een nieuwe groep bewoners die aardewerk gebruikten uit Cyprus; al binnen de eerste generatie werd er gehandeld met Cyprus. 14 Volgens de Joodse legende die ik in deze post al genoemd heb kwamen de Filistijnen van Cyprus. Maar er zijn meer theorieën over Kaftor. Het zou bijvoorbeeld Kreta zijn. In dat geval is Tacitus interessant, volgens wie sommigen zeiden dat de Joden vluchtelingen waren uit Kreta, die zich vestigden op de dichtstbijzijnde kust van Africa. 15

Hoe dan ook, het belangrijkste voor deze post is dat dit Kaftor niet, zoals dat van de Kaftorieten, in Egypte ligt, en dat beide volken die beiden in de Gazastrook woonden uit gebieden met dezelfde naam kunnen komen.

Conclusie

Alle volken die tot in Salomo’s regering over het land van de Filistijnen heersten, worden in de Bijbel Filistijnen genoemd, ondanks dat de Peleset, de “echte” Filistijnen, daar op zijn vroegst in 930 neerstreken. Dat verklaart de afwezigheid van XVIII en XIX in de Bijbel, de lange strijd met de Filistijnen die er juist wel in staat, de vele oorlogsverslagen van XVIII en XIX èn dat pas onder Ramses III de Peleset zich in het land van de Filistijnen vestigden. Deze theorie verklaart dus alle problemen aan het begin van deze post.

De geschiedenis van Filistea wordt zo helderder. De Filistijnen van Abraham en Izak zijn de Avvieten. De Kaftorieten heersten daar in de tijd van Mozes, en werden op een gegeven moment onderworpen door de Egyptenaren, die sindsdien de titel Filistijnen kregen. Zij zijn de sterke tegenstanders van onder andere Samgar, Simson, Saul en David (1223971).

Het is alleen door de Egyptenaren te zoeken achter de Filistijnen dat de geschiedenissen van Egypte en Israël duidelijke raakvlakken krijgen.

Voor een mogelijke reden waarom de Egyptenaren van XVIII en XIX Filistijnen gingen heten, zie hier.

laatste update: 16 februari 2022

  1. Drawn by Faucher-Gudin, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=3426761[]
  2. Ancient Records, deel IV, § 61-82[]
  3. Louis Ginzberg, The Legends of the Jews (1909), Volume IV: From Joshua to Esther, Chapter IV: David, paragraaf Wars[]
  4. Chullin, hoofdstuk 60b[]
  5. Flavius Josephus, Antiquities of the Jews, 1.6.2[][]
  6. Flavius Josephus, Antiquities of the Jews, 2.10.1-2[]
  7. Ancient Records, deel II, § 415-417[]
  8. James M. Weinstein, The Egyptian Empire in Palestine: A Reassessment, in Bulletin of the American Schools of Oriental Research, No. 241 (Winter, 1981), p. 6-7[]
  9. Jeremia 47:4 is 29:4 in de Septuagint. In de Septuagint is de volgorde van Jeremia anders.[]
  10. A. Malalat, Hazor “The Head of All Those Kingdoms”, in Journal of Biblical Literature, Vol. 79, No. 1 (Mar., 1960), p. 18-19[]
  11. Herodotus, Histories, boek I, 72[]
  12. Herodus, Histories, boek V, 49[]
  13. Donald B. Redford, Culture and History of the Ancient Near East, Volume 91, The Medinet Habu Records of the Foreign Wars of Ramesses III, p. 118[]
  14. Daniel M. Master, Penelope A. Mountjoy en Hans Mommsen, Imported Cypriot Pottery in the Twelfth-Century B.C. Ashkelon, in Bulletin of the American Schools of Oriental Research, No. 373 (mei 2015), p. 235-243[]
  15. Tacitus, The Histories, V.2[]

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.