Categorieën
Assyrië Babylon Richters

Cusjan Risjataïm als Muti-Chursjana

Cusjan Risjataïms koninkrijk begon in Aram-Naharaïm en breidde uit naar Israël en Amurru. Veel van de andere plaatsen worden genoemd in deze post. 1

Inleiding

Cusjan Risjataïm was de eerste onderdrukker van Israël in het Beloofde Land (1369-1361). Hij komt slechts voor in twee verzen en beide keren wordt zijn thuisland genoemd, maar beide keren is dat een ander. Zo weinig als er over hem gezegd wordt, zo weinig wordt er onderzoek naar hem gedaan, omdat er niks met hem te beginnen is in de standaardchronologie.

Een identificatie van Cusjan Risjataïms koninkrijk met Mitanni werkt alleen in de standaardchronologie. 2 Anderen wijzigden zijn naam, die van zijn land en de Bijbelse chronologie om hem bijvoorbeeld koning van Edom te maken. 3 Al die wijzigingen maken de voorstellen voor mij onmogelijk. In mijn chronologie was Cusjan Risjataïm een tijdgenoot van Samsu-iluna van Babylon (1402-1365) en diens zoon Abi-eshuh (1364-1337). Samsu-iluna had van zijn vader, Hammurabi (1445-1403), een koninkrijk geërfd dat zich uitstrekte van Syrië tot de Perzische Golf, maar kreeg te maken met grote opstanden. Ik identificeer Cusjan Risjataïm met Muti-Chursjana, één van de koningen over wie Samsu-iluna de overwinning claimt. Hij kwam dan opnieuw in opstand en dit keer bleef het land van hem.

Josephus compliceert de zoektocht. Hij noemt hem Chusarathos en koning van de Assyriërs en heeft meer details over hem en zijn onderdrukking dan de Bijbel. Volgens hem verdreef “Keniazos” (Keniaz’ zoon, Othniël, 1361-1321) Chusarathos tot over de Eufraat. 4 Daar lag Assyrië (Gen 2:14).

11 maart 1024: Ik blijk niet de eerste te zijn die Muti-Chursjana identificeert met Cusjan Risjataïm; Andrew P. deed dat al in 2021.

Zijn gebied

Het gebied waar Cusjan Risjataïm over heerste verandert van naam in de twee verzen die over hem gaan. In Richteren 3:8, het eerste vers, heerste hij over Mesopotamië, wat in het Hebreeuws Aram-Naharaïm is. Dit betekent “Aram van (de) twee rivieren” en lag in het verre noorden van Mesopotamië, rond de zuidelijke grens van Turkije. Volgens vers 10 heette zijn gebied Aram, ofwel Syrië.

Na het onderwerpen van de Israëlieten (1369) liet hij volgens Josephus een garnizoen achter om hen eronder te houden. In de 8 jaar dat ze hem tribuut betaalden, een tribuut dat groter was dan ze eigenlijk konden betalen, moet hij door die naamswisseling Syrië hebben veroverd. En omdat hij kort daarna al door Othniël werd verslagen is het geen wonder dat er van hem vrijwel niks bekend is – zijn rijk bestond nog geen decennium.

De Amorieten

Cusjan Risjataïm was een Amoriet, of heerste over de Amorieten. Die conclusie is te trekken uit een paar verzen uit Richteren. Een paar eeuwen later werden de Israëlieten onderdrukt door de Ammonieten (1124-1106). Toen riepen ze het uit tot God. “Maar de HEERE zei tegen de Israëlieten: Heb Ik u niet van de Egyptenaren verlost, en van de Amorieten, de Ammonieten en de Filistijnen, en van de Sidoniërs, de Amalekieten en de Maonieten, toen zij u onderdrukten en u tot Mij riep en Ik u uit hun hand verloste?” (Richt 10:11-12)

Zolang een paar onderdrukkers onder een andere naam voorkomen dan eerder in Richteren, is dit een chronologische lijst:

  • de Egyptenaren: God noemt hen ook wanneer Israël tot Hem roept over de onderdrukking door de Midianieten: “En Ik heb u gered uit de hand van de Egyptenaren en uit de hand van ieder die u verdrukte.” (Richt 6:9) Dit zal de eerste onderdrukking van de Israëlieten zijn, de 400-jarige onderdrukking in Egypte (1846-1446).
  • de Amorieten: zie onder.
  • de Ammonieten kwamen tegelijk met de Moabieten (1321-1303) (Richt 3:13); zie hier voor een reden waarom juist de Ammonieten genoemd worden.
  • de Filistijnen zijn Samgars tegenstanders (1223) (Richt 3:31).
  • de Sidoniërs zijn Kanaänieten (Gen 10:15). De Kanaänieten onderdrukten Israël in de dagen van Debora (1223-1203), en werden in mijn chronologie verslagen door Barak en Thutmose III. Sidon lag in het gebied dat Thutmose III in die periode bij zijn rijk voegde. Aan het begin van de richterenperiode woonden de Sidoniërs rustig en onbezorgd, maar ze heersten over de volken om hen heen (Richt 18:7, 28).
  • de Amalekieten kwamen samen met de Moabieten (1321-1303) (Richt 3:13) en de Midianieten (1219-1212) (Richt 6:3, 33). Hier zal de tijd van de Midianieten bedoeld zijn.
  • de Maonieten zijn mogelijk de Meünieten, die een strijd tegen Uzzia en God verloren (2 Kro 26:7). 5 De Maonieten waren mogelijk een deel van de mensen uit het oosten, die meeliftten tijdens de Midiantische overheersing (1219-1212) (Richt 3:3, 33).

De Amorieten kwamen tussen de Egyptenaren en de Ammonieten. Dat is nog geen anderhalve eeuw om te zoeken, maar hun onderdrukking is niet te vinden onder die naam. De enige mogelijkheid die overblijft is dat dit volk staat voor Cusjan Risjataïms onderdrukking. Het betekent dat of hij een Amoriet was, of dat zijn onderdanen Amorieten waren.

Samsu-iluna’s oorlogen in het westen

Voor het begin van Cusjan Risjataïms rijk, en de vermelding van Muti-Chursjana, gaan we naar de westelijke oorlogen van Samsu-iluna. Samsu-iluna had te maken met grote opstanden. Alleen al in het zuiden van Mesopotamië claimt hij de overwinning op 26 vijanden. 6 Alhoewel hij ooit heerste over “the totally of the lands”, 7 noemde hij zichzelf “a mighty weapon that wipes out the enemies” 8 en een “king who makes the four quarters be at peace” 7. Dit zijn de vier hoeken van de toen bekende wereld; de westelijke hoek was Syrië.

De belangrijkste bron voor Samsu-iluna’s oorlogen is zijn jaarnamen, die de voor de koninklijke propaganda belangrijkste gebeurtenis(sen) uit het jaar daarvoor noemen. De naam van jaar 1 beschrijft daarom wat er gebeurde in het het jaar waarin hij koning werd, jaarnaam 10 wat gebeurde in jaar 9, enzovoort. 9 In deze jaarnamen staan een paar (mogelijke) verwijzingen naar noordelijk Mesopotamië.

Jaarnaam 1 = het jaar waarin hij koning werd (1403)
Year Samsu-iluna the king at the trustworthy command of Marduk made his rule manifest over the mountain lands and put in order the land and the field (accounts) of Sumer and Akkad

De berglanden worden gescheiden van Sumer en Akkad, ofwel het zuiden en midden van Mesopotamië. Dit kunnen zowel de bergen in het westen van Iran, het noorden van Irak of in Syrië zijn, en de beschrijving betekent dan dat het totale gebied dat hij van Hammurabi erfde nog vrede had.

Jaarnaam 10 = jaar 9 (1394)
Year in which Samsu-iluna the king with the great strength of Marduk smote with weapons the troops of Ida-Maraṣ, Yamutbal, Uruk and Isin

Ida-Maraṣ was een land aan de Boven-Khabur, een rivier in noordoostelijk Syrië die uitmondt in de Eufraat, en in zuidoostelijk Turkije. Er waren twee landen met de naam Yamutbal. Het ene lag bij de Tigris, ten noordwesten van de stad Assur, het andere niet ver bij het zuidoostelijke deel van de Khabur-driehoek vandaan, 10 dus in de buurt van Ida-Maraṣ. Uruk en Isin liggen weer in zuidelijk Mesopotamië. Dit was volgens een lange inscriptie van Samsu-iluna een gezamenlijke opstand onder “Rim-Sin, instigator of the revolt of Iamutbal, who had been raised to the kingship of Larsa”. 11

Jaarnaam 12 = jaar 11 (1392)
Year in which Samsu-iluna the king by the mighty strength given by Marduk, after having conquered all the enemy lands which had again become hostile, defeated the troops of Sumer and Akkad

De vijandige landen lagen niet in Sumer en Akkad. Waar wel wordt niet gezegd, maar hij claimt dat heel het land weer van hem was. Als dat klopt, de jaarnamen waren bedoeld als koninklijke propaganda en vertelden dus alleen de officiële waarheid, was ook het latere gebied van Cusjan Risjataïm van hem.

Jaarnaam 23 = jaar 22 (1381)
Year in which Samsuiluna, the king, by the fierce power which Enlil gave him, destroyed Šahnā, the capital city of the land of Apum, Zarhānum, Putrā, Šuša, …-lazia(?) <and> … Yakūn-ašar … Yakūn-x 12

Šahnā, ook Šubat-Enlil, is het huidige Tell Leilan. Yakūn-ašar was haar laatste koning. 13 Apum ligt in het noordoosten van Syrië, aan de al genoemde rivier de Boven-Khabur. Zarhanum wordt, dankzij deze jaarnaam, geplaatst in de buurt van Apum. Putra is het op de kaart genoemde Pethor, aan het meest westelijke deel van de Eufraat, vlak onder de grens van Turkije. 14 Susa is niet de stad in Elam (Iran), maar ligt mogelijk aan de Wadi Avedji, die uitmondt in de Boven-Khabur.

Pethor lag in Aram-Naharaïm (Deut 23:4, waar Aram-Naharaïm vertaald is met Mesopotamië). De andere drie steden lagen aan of bij de Boven-Khabur, ofwel ten oosten van Aram-Naharaïm. Dit lijkt een gezamenlijke of in ieder geval gelijktijdige opstand, maar helaas noemt Samsu-iluna slechts de naam van één tegenstander.

Jaarnaam 26 = jaar 25 (1378)
Year in which Samsu-iluna the king cut in the great mountains of the land of Amurru … stones measuring 1 1/2 gar 4 kuš 10 (fingers) (i. e. ca. 11 1/3 m); (he) directed the fullness of the canal (called) ‘Samsu-iluna (brings) fullness of abundance’ from the heart of a reed swamp to have it flow along a broad course and made the cultivated land of Babylon luxuriant, establishing plenty

Amurru is Syrië ten westen van de Eufraat, waar de grote bergen van Syrië liggen. Het is het eerste jaar dat Samsu-iluna een plek noemt die verder ligt dan Pethor. Opvallend is dat hij geen enkele veldslag of oorlog noemt onderweg naar de grote bergen van Amurru. Als dat klopt, het gaat tenslotte om koninklijke propaganda, had hij dit gebied opnieuw in handen.

Jaarnaam 28 = jaar 27 (1376)
Year in which Samsu-iluna the king by the command of Enlil, by the wisdom and strength given by Marduk, crushed like a mountain with his terrifying šita-weapon and his mace the hostile kings Iadihabum and Mutihurszan

Iadihabum is buiten deze jaarnamen om bekend als Yadiḫ-abu. Hij heerste vanuit waarschijnlijk Terqa over het koninkrijk dat later Ḫana werd genoemd. Zijn koninkrijk was niet vernietigd nadat hij verpletterd werd als door een berg. Hij is bekend van kleitabletten uit Terqa, waar hij regeerde en zijn opvolgers Kaštiliašu en Šunuḫru-Ammu worden genoemd. 15 Samsu-iluna zal echt hebben gewonnen, want een landverkoop uit Harradum, een onderdeel van Yadiḫ-abu’s rijk, is gedateerd op zijn koningschap. 16

Mutihurszan, ofwel Muti-Ḫuršana (Muti-Chursjana, Muti-Chursjani), kon ik buiten Samsu-iluna’s jaarnamen om niet vinden. Het rijk van Yadiḫ-Abu bestond uit Mari en het gebied daaromheen, de Midden-Eufraat en de Beneden-Khabur tot de Khabur-driehoek; zijn jaarnamen zijn gevonden in Tell Taban (Oud-Babylonisch Tâbâtum) in de Midden-Khabur. In het zuiden grensde Ḫana aan Babylon.17 Omdat Muti-Chursjana hier niet wordt vermeld zal hij ergens anders hebben geregeerd, op een plek die weinig te maken had met Hana, mogelijk verder naar het westen. Omdat Samsu-iluna de overwinning op Muti-Chursjana groots vermelddde is het mogelijk dat zijn land tussen de opstandige gebieden lag – of in Putra (Pethor) in Aram-Naharaïm, of in de landen ten oosten van de Boven-Khabur.

Jaarnaam 28 van Samsu-iluna komt voor in precies 28 gepubliceerde administratieve teksten, 18 en omdat Yadi-abu(m) daar slechts 9 keer in voorkomt 19 en Muti-Chursjana 8 keer 20, werd meestal een afkorting gebruikt. Dat is op zich niet vreemd met zo’n lengte. Zelfs Samsu-iluna kortte de jaarnaam af toen hij hem herhaalde. Muti-Chursjana’s naam wordt in deze teksten op verschillende manieren geschreven: Mu-ti-ḫu-ur-ša-ni (3x), Mu-ti-ḫur-ša-ni (1x), Mu-ti-ḫu-ur-ša (2x), Mu-ut-ḫu-ur-ša (1x) en Mu-ti-ḪUR.SAG (1x). 20 ḪUR.SAG is een weergave van het Akkadische ḫuršānu, “berg, belegeringsheuvel”.

Jaarnaam 29 = jaar 28 (1375)
Year after the year in which Samsu-iluna by the command of Enlil crushed Iadihabum and Mutihurszan with his terrifying šita-weapon and the mace

Jaarnaam 30 = jaar 29 (1374)
Second year after the year Samsi-iluna the king by the command of Enlil

Jaarnaam 31 = jaar 30 (1373)
Third year after the year Samsi-iluna the king by the command of Enlil

De maar liefst drievoudige herhaling van jaarnaam 28 kan betekenen dat Samsi-iluna de overwinning zo groots vond dat hij het drie jaar lang liet vermelden, of juist dat hij het moeilijk kreeg en voor het laten zien van zijn macht teruggreep naar een eerdere overwinning. 21

Jaarnaam 33 = jaar 32 (1371)
Year in which Samsu-iluna the king at the command of Szamasz and Marduk restored completely all the brickwork of the city of Saggaratu

Saggaratum was een stad in het gebied van Mari, dat hoorde bij het land van Yadiḫ-abu. Het lag iets ten noorden van Terqa, waar Yadiḫ-abu werd genoemd. Herstel betekent een tijd van vrede en dit zal de tijd zijn dat Samsu-iluna het koninkrijk van Yadiḫ-abu in handen had.

Jaarnaam 35 = jaar 34 (1369)
Year in which Samsu-iluna the king (restored) the broken parts of the city walls of Amal, Arkum and Maszkan-szarrum

Over Amal staat in het Reallexikon der Assyriologie alleen de vermelding in deze jaarnaam. 22 Hetzelfde geldt voor Arku(m). 23 Maškan-šarrum lag aan de Tigris, aan de monding van de Lower Zab, in het zuidelijkste deel van Assyrië. 24 De volgende jaarnaam doet me denken dat Amal en Arkum niet in het westen lagen, en dan heeft deze jaarnaam geen betekenis meer voor deze post.

Jaarnaam 36 = jaar 35 (1368)
Year in which he subdued the army of the land of the Amorites, the lands of the mountains

Na Jozua’s veroveringen woonden de zuidelijkste Amorieten in Libanon (Joz 13:4) en het noorden van Israël (Richt 1:34-35). Gadd heeft het over de “host of the Westland” in dit jaar en concludeert dat Samsu-iluna het westelijke deel van zijn land kwijtraakte. 25 3 jaar eerder, in 1371, was er nog vrede; Samsu-iluna herstelde toen een stadsmuur in Aram. In de tussentijd zal er strijd zijn ontstaan in Aram. 1368 is aan het begin van de periode (1369-1361) waarin de Amoriet Cusjan Risjataïm Aram veroverde en bij veroveringen hoort strijd en (een) tegenstander(s). In dat geval is het interessant dat Samsu-iluna een overwinning in een oorlog claimt, niet dat hij het land en de koning van zijn tegenstanders onderwierp.

Slechts een paar jaar later, in 1365, stierf Samsu-iluna en werd hij opgevolgd door zijn zoon Abi-eshuh. De volgorde van Abi-eshu’s jaarnamen is helaas onduidelijk. De enige voor deze post mogelijke interessante is “Year Abi-eszuh the king (seized) Adnatum … the pride of the mountains”, maar ik kan nergens vinden waar Adnatum lag.

Cusjan Risjataïm: Muti-Chursjana of Kashtiliashu

In 1368 overwon Samsu-iluna in Aram een leger van de Amorieten, en het is waarschijnlijk dat hij rond die tijd ondanks die overwinning het westelijke deel van zijn land kwijtraakte. In dezelfde periode plaatst de Bijbel een veroveraar van Aram die of een Amoriet was, of over Amorieten heerste. Alsof dat nog niet genoeg was om het Bijbelse verslag in ieder geval mogelijk te maken, duiken rond die tijd twee namen op die op Cusjan lijken – Muti-Chursjana en Kashtiliashu.

Eerst Kashtiliashu. Nadat Samsu-iluna in 1376 Yadiḫ-abu van Terqa en Muti-Chursjana had verslagen, overheerste hij Yadiḫ-abu’s land. Kashtiliashu was de eerste koning van Terqa na Samsu-iluna’s overheersing. Onbekend is wanneer hij het Babylonische juk afschudde, maar het was na 1371, toen Samsu-iluna een stad in zijn gebied herstelde. 1371 is slechts 2 jaar voordat Cusjan Risjataïm Israël onderdrukte. De naam Kashtiliashu begint net als Cusjan met een K-klank en heeft een -sj-. Maar er zijn ook twee duidelijke minpunten:

  • Kashtiliashu heerste vanuit Terqa. Dit ligt ten zuiden van waar de Khabur in de Eufraat stroomt, en ik weet niet of dat nog bij Aram-Naharaïm hoort.
  • Kashtiliashu is geen Amoritische naam. Het was een Kassitische; meerdere koningen van de Kassitische dynastie van Babylon heetten zo.

Over blijft dan Muti-Chursjana. Hij werd net als Yadiḫ-abu door Samsu-iluna in 1376 verslagen in Aram of daar in de buurt, maar waar zijn koninkrijk precies lag is onbekend. Als dit dezelfde persoon is als Cusjan Risjataïm was Muti-Chursjana’s nederlaag net als bij Yadiḫ-abu’s koninkrijk niet definitief. Het was alleen een tijdelijke terugslag. Muti-Chursjana is in tegenstelling tot Kashtiliashu wèl een Amoritische naam. Het heeft de -a van het Amoritische predicatief, wat iets zegt over het onderwerp van de zin, zoals aardig in hij lijkt aardig 26. Muti-Amnānum, de zoon van een rabiānum in het Oud-Babylonische Sippar, heeft een echte Amoritische naam, net als Mutiya, de eigenaar in een contract uit Kish/Damrum. 27

Cusjan Risjataïm breidde vanuit Aram-Naharaïm zijn grenzen uit naar het zuiden, wat naadloos past bij de politieke situatie van deze periode. In het noorden, in Kuššara in Turkije, regeerden in Samsu-iluna’s tijd de oorlogvoerende Pithana en mogelijk ook zijn zoon Anitta, de grondleggers van het Hethitische rijk, 28 en de Babyloniërs hadden Yadiḫ-abu’s rijk tijdelijk overgenomen. Dat rijk heeft Cusjan Risjataïm waarschijnlijk nooit veroverd; geen enkele naam die daarop lijkt komt voor op de bekende kleitabletten. 29

Muti-Chursjana: de naam

Een laatste reden voor een identificatie van Cusjan Risjataïm met Muti-Chursjana is zijn naam. Risjataïm is Hebreeuws voor “van dubbele verdorvenheid” en zal een bijnaam zijn, die verwijst naar de manier waarop hij Israël onderdrukte; volgens Josephus moesten ze hem een ondraaglijke hoeveelheid belasting betalen en waren er andere vernederingen. 30.

Dat Muti- afwezig is in de Bijbel kan een vorm van censuur zijn. De Bijbel gaat soms creatief om met namen van afgoden. Sauls zoon Isboseth, wat man van schaamte betekent, heette Esbaäl (1 Kro 8:33, 9:39), man van Baäl. Mefiboseth, verdrijver van schaamte, heette Merib-Baäl (1 Kro 8:34, 9:40), mogelijk advocaat van Baäl. (Dat hoeft niet te betekenen dat Sauls familie de afgod Baäl aanbad; baäl betekent heer en was ooit ook een bijnaam van God.) Jozua’s tegenstander Jabin (Joz 11:1) heette Ibni-Addu; Addu was een Amoritische god. Sarezer (2 Kon 19:37) zal Nabû-šarru-uṣur zijn; Nabu was een Akkadische god. Soms werden buitenlandse namen zelfs vervangen. Zerah (2 Kron 14:9) en Adrammelech (2 Kon 19:37) hebben Hebreeuwse namen, maar de eerste was een Egyptenaar, waarschijnlijk Hori, en Adrammelech was de Assyriër Arda-Mulišši 31. Akkadisch mūtu, waar Muti- vanaf is geleid, betekent zowel dood, als de naam van de demon van de dood. (Muti-Chursjana’s naam betekent dan iets als “De Dood is een berg”.)

Cusjans naam begon volgens Josephus met een Ch-, Chusarathos. De Septuagint noemt hem Chusarsathaim, opnieuw met een Ch-. Een andere transcriptie van Chursjana laat de laatste -a weg. In de bijnaam Risjataïm zitten alle medeklinkers uit het volledige Muti-Chursjana die niet in Cusjan voorkomen in een omgekeerde volgorde (m-t-r), aangevuld met een verdubbelde sj. Als dit dezelfde personen zijn is Cusjan Risjataïm een anagram van Muti-Chursjana, waarbij de demonennaam is weggelaten, gezocht naar een Hebreeuwse naam die op Chursjana lijkt en een bijnaam uitgekozen die de manier van onderdrukking laat weerklinken.

In éen van de Joodse hervertellingen van Genesis staat mogelijk een driedubbele verwijzing naar Cusjan Risjataïm. In Aram-Naharaïm lag onder andere Haran, waar de nakomelingen van Abrahams broer Nahor woonden (Gen 24:10, waar Aram-Naharaïm opnieuw vertaald met Mesopotamië). Volgens het Book of Jasher was Nahors zoon Tidlaf, de Bijbelse Jidlaf (Gen 22:22), de vader van Mushan, Cushan en Mutzi (Jasher 22:25).

Koning van de Assyriërs

Omdat er niet veel meer duidelijk te krijgen is over de Amoriet Cusjan Risjataïm, blijft nog slechts één vraag over. Waarom noemt Josephus hem koning van de Assyriërs?

Slechts één keer in de Assyrische geschiedenis heersten de Amorieten over hun land. Deze periode begon met de verovering van Assyrië door de Amoriet Samsi-Adad I (1461-1429). Van zijn twee zonen had Yasmah-Addu een Amoritische naam en Ishme-Dagan I een Akkadische; beide namen betekenen “(god) heeft gehoord”. 32 Ishme-Dagan, die zijn vader op volgde in Assyrië, werd opgevolgd door zijn zoon Mut-Ashkur. Mut-Ashkur is volgens Wikipedia een Hurritische naam, maar daar staat geen bron bij. Het zal een Amoritische naam zijn, net als die van Ashkur-Addu uit Mari 33. Als Mut-Ashkurs opvolger inderdaad Rimu[sh] heette had hij een Akkadische naam. 34

Als Josephus gelijk heeft en Cusjan Risjataïm over de Assyriërs heerste, is hij de Amoriet uit Richteren 10, en niet zijn onderdanen. Zolang hij geïdentificeerd kan worden met Muti-Chursjana had hij een Amoritische naam en past hij in Samsi-Adads dynastie, waarin Akkadische en Amoritische namen werden afgewisseld. Hij is dan een opvolger van Rimu[sh] met zijn Akkadische naam en één van de vele koningen tussen Samsi-Adad en Assur-uballit I (1136-1102) van wie nauwelijks iets bekend is 35. Muti-Chursjana komt niet voor op de Assyrische Koningslijst (AKL), maar alle koningen na Ishme-Dagan I ontbreken daar. Omdat er chronologisch gezien ruimte is voor een extra koning tussen Rimu[sh] en Asinu, de laatste heerser van de dynastie, en het in mijn chronologie mogelijk is dat Josephus gelijk heeft, ga ik daarvanuit.

Conclusie

In de standaardchronologie is Cusjan Risjataïm een raadsel. Op de zoektocht naar hem wordt zijn naam gewijzigd, zijn land en zijn identiteit, of hij blijft simpelweg een vraagteken. In mijn chronologie is het niet alleen mogelijk om aanwijzingen te vinden dat in de goede tijd iemand Aram overnam van Samsu-iluna en Samsu-iluna daar tegen een leger van Amorieten streed, maar ook om een Akkadische naam te vinden die erg op Cusjan Risjataïm lijkt. Dat hij een Akkadische naam heeft, maar zijn macht over Israël geïdentificeerd kan worden met de Amoritische onderdrukking uit Richteren 10, maakt het weer mogelijk dat Josephus gelijk heeft en hij over de Assyriërs heerste.

Ik identificeer Cusjan Risjataïm daarom met Muti-Chursjana, en plaats hem in de Oud-Assyrische lijst van koningen.

De vraag blijft nog wat Cusjan Risjataïm vanuit Aram-Naharaïm helemaal in Israël deed. God haalde hem naar het zuiden door de afgoderij van de Israëlieten (Richt 3:5-8), dus er zal een voordeel voor hem in hebben gezeten. Als het bovenstaande klopt kon hij zijn gebied niet naar het noorden en oosten uitbreiden, want daar zaten andere koningen. Het is onbekend of hij ook de Kanaänieten in Libanon en de kuststrook van het huidige Israël (Richt 1:27-36) onderdrukte, maar tenzij hij de woestijn in wou trekken was alleen Israël voor hem over. Zijn focus lag daar niet. Hij plaatste er volgens Josephus alleen een garnizoen en haalde tribuut op. Israël vertrok met allemaal rijkdommen uit Egypte (Ex 12:35-36) en volgens Josephus leefden ze in luxe voordat Cusjan Risjataïm binnenviel. Hij ging dan naar Israël om die rijkdommen over te nemen.

laatste wijziging: 31 juli 2021
februari 2024: grondig herschreven n.a.v. mijn opgeschoven chronologie van Hammurabi’s dynastie. De post met de vraag of Cusjan Risjataïm over de Assyriërs kan hebben geregeeerd, in deze post verwerkt, waar die informatie thuishoort.

  1. Ingevuld detail van een blanco kaart van Sémhur, CC BY-SA 4.0 []
  2. Clyde E. Billington, Othniel, Cushan-Rishataim, and the Date of the Exodus, in Beyond the Jordan: Studies in Honor of W. Harold Mare (2005), p. 117-132 []
  3. A. Malamat, Cushan Rishataim and the Decline of the Near East around 1200 B. C., in Journal of Near Eastern Studies, Vol. 13, No. 4 (Oct., 1954), p. 231-233 []
  4. Flavius Josephus, Antiquities of the Jews, 5.3.2-3 []
  5. Cambridge Bible for Schools and Colleges, commentaar op Judges 10:12 []
  6. RIME 4, p. 376, 386-387 []
  7. RIME 4, p. 381 [] []
  8. RIME 4, p. 378 []
  9. Fitzgerald (2002), p. 3 []
  10. Barry J. Beitzel, Išme-Dagan’s Military Actions in the Jezirah: A Geographical Study, in Iraq, Vol. 46, No. 1 (Spring, 1984), p. 30, 33-34, 42 []
  11. Cyril John Gadd, Hammurabi and the end of his Dynasty, in The Cambridge Ancient History II Part I, The Middle East and the Aegean Region c.1800-1380 B.C. (1973), p. 221 []
  12. Denis Lacambre & Werner Nahm, Pithana, an Anatolian ruler in the time of Samsuiluna of Babylon: New data from Tell Rimah (Iraq), in Revue d’Assyriologie et d’Archéologie orientale 109 (2015), p. 21, waar een volledigere versie staat dan in de link hierboven []
  13. Lacambre & Nahm, op. cit., p. 21 []
  14. Yigal Levin, “My Father was a Wandering Aramean”: Biblical Views of the Ancestral Relationship between Israel and Aram, in Leipziger Altorientalistische Studien, Herausgegeben von Michael P. Streck, Band 5, Wandering Arameans: Arameans Outside Syria, Textual and Archaeological Perspectives (2017), p. 46 []
  15. Daisuke Shibata en Shigeo Yamada, Calendars of the Land of Ḫana and the Middle Assyrian Land of Māri in the Second Millennium BC, in Studia Chaburensia | Vol. 9, Calendars and Festivals in Mesopotamia in the Third and Second Millennia BC, p. 168-169 []
  16. Armanda H. Podany, Hana and the Low Chronology, in Journal of Near Eastern Studies, Vol. 73, No. 1 (April 2014), p. 54 []
  17. Alexander Ahrens, The Scarabs from the Ninkarrak Temple Cache at Tell ‘Ašara/Terqa (Syria): History, Archaeological Context, and Chronology, in Ägypten und Levante / Egypt and the Levant 20 (2010), p. 433, met voetnoot 11 []
  18. Samuel I. Feigin, Yale Oriental Series (YOS) 12, Legal and Administrative Texts from the Reign of Samsu-iluna (1979), alleen de indexen staan online, p. 20-21 []
  19. Feigin, op. cit., p. 62 []
  20. Feigin, op. cit., p. 46 [] []
  21. Fitzgerald (2002), p. 69 []
  22. E. Ebeling, Amal, Reallexicon der Assyriologie, Band 1, p. 91 []
  23. E. Ebeling, Arku, Reallexicon der Assyriologie, Band 1, p. 151 []
  24. Piotr Steinkeller, Puzur-Inšušinak at Susa: A Pivotal Episode of Early Elamite History Reconsidered, in Susa and Elam, Archaelogical, Philological, Historical and Geographical Perspectives (2013), p. 295 []
  25. Gadd, op. cit., p. 222 []
  26. Rients de Boer, Amorites in the Early Old Babylonian Period, Ph.D. Leiden University 2014, p. 42 []
  27. De Boer, op. cit., p. 83, 396 []
  28. Lacambre & Nahm, op. cit., p. 17 []
  29. Podany, op. cit., p. 54 []
  30. Flavius Josephus, Antiquities of the Jews, 5.3.2 []
  31. Karen Radner, The trials of Esarhaddon: the conspiracy of 670 BC, in ISIMU: Revista sobre Oriente Próximo y Egipto en la antigüedad 6 (2003), p. 167 []
  32. De Boer, op. cit., p. 35 []
  33. Jack M. Sasson, Biographical Notices on Some Royal Ladies from Mari, in Journal of Cuneiform Sources, Vol. 25, No. 2 (Apr., 1973), p. 62 []
  34. I. J. Gelb, Old Akkadian Writing and Grammar, Second edition, revised and enlarged (1961), p. 143-144 []
  35. RIMA 1, p. 4 []

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *