Categorieën
Koningstijd

Bewijs voor David

David in het Evangelion uit de 11e eeuw n.Chr., dat nu in Zagreb in Kroatië is. 1

Inleiding

David (1011-971) wordt buiten de Bijbel om maar weinig genoemd. Ondanks dat is er redelijk wat over hem te zeggen. Het gaat om bewijs uit Syrië, Moab, Egypte en de archeologie.

Om het samen te vatten: Davids naam komt in de verschillende bronnen drie keer voor. Hij bouwde weinig en er is dan ook op archeologisch gebied niet veel gevonden dat met hem te maken heeft. Maar er zijn wel overeenkomsten tussen Assyrische teksten over Syrië in de tijd van David, die passen bij de Bijbel. Archeologisch gezien leefde hij helemaal aan het eind van de Late Bronstijd.

Deze post is geschreven naar aanleiding van een vraag van mijn vader.

Het huis van David

Twee inscripties noemen David als de stamvader van de koningen die over Juda heersten. In regel 9 van de Tel Dan-stela staat bytdwd; byt is huis en dwd is David. In regel 31 van de inscriptie van Mesha, de koning van Moab, staat bt[d]wd; bt is hetzelfde als byt. 2 Huis van David is ook in de Bijbel een manier om Juda aan te duiden (1 Sam 20:16, 2 Sam 3:1, 1 Kon 12:26, 2 Kro 21:7, etc.).

b(y)t samen met een persoonsnaam is een manier om een dynastie aan te duiden met de naam van de stichter; in dit geval gaat het om het huis van David. Dit blijkt vooral uit gevallen waarbij de persoonsnaam die van een bekende koning was, zoals Omri; de Assyriërs noemden het noordelijke rijk vaak Huis van Omri. Daarnaast is het een aanduiding voor het gebied waarover deze dynastie heerste. 3

Er zijn meerdere vertaling van de Tel Dan-stela, maar de woorden Huis van David zijn altijd duidelijk. Eén vertaling is bijvoorbeeld: “[And I killed Jeho]ram, son of [Ahab] king of Israel. And I killed Ahaziah son of Jehoram [ki]ng of the House of David.” 4 Een andere: “And [was killed Jo]ram son of [Ahab] king of Israel, and [was] killed [Aḥaz]yahu son of [Jehoram, ki]ng of the House of David.” 5 Deze tekst is niet alleen bewijs voor David, maar ook dat Ahazia van Juda (841) bij zijn dynastie hoorde en tegelijk regeerde met [Jo]ram van Israël (852-841).

De andere inscriptie is van Mesa, de Bijbelse koning van Moab (2 Kon 3:4) die schrijft over zijn oorlog tegen de nakomelingen van Omri (885/4-874/3). Daarbij noemt hij ook zijn oorlog tegen Hawronen, ofwel Horonaïm in Moab (Jes 15:5, Jer 48:3). 6 De tekst: “And as for Ḥāwrônên the [Ho]use of [Da]vid dwelt in it”. 7

Beide teksten komen uit de 9e eeuw. Dat is twee eeuwen na David, maar ze noemen hem als stamvader van de dynastie op dat moment over Juda regeerde. Dit past volledig bij de Bijbel.

De hoogten van David

Shoshenq I (819/8-797) voerde oorlog in Israël. Het resultaat hiervan liet hij in een lijst met veroverde plaatsnamen optekenen op de tempelmuren van Karnak. Een van de nog leesbare plaatsnamen is hadabiyat-dawit, ofwel “de hoogten (of het hoogland) van David”. Als je kijkt naar de andere, bekende plaatsnamen lag dit in het zuiden van Juda, in het gebied waar David zich verborg voor Saul. 8

De inname van Jeruzalem

David veroverde de vesting van de Jebusieten, ofwel Jeruzalem. Hij wist dat de watergang de zwakke plek was in de verdediging (2 Sam 5:7-8); zijn neef Joab klom naar boven, bracht de Jebusieten de eerste slag toe en werd zijn generaal (1 Kro 11:6). De bronnen van Jeruzalem lagen in Davids tijd nog buiten de stad (2 Kro 32:2-3). Joab klom dus ergens omhoog bij de watergang en begon vanaf daar de verovering van de stad.

David ging daarop in de vesting wonen (2 Sam 5:9). Joab herstelde de rest van de stad (1 Kro 11:8), die kennelijk beschadigd was bij de inname. De vestingwerken van de Jebusieten bleven dus in gebruik; ze werden zelfs hersteld.

In Jeruzalem werden in de Late Bronstijd, de tijd van David en de late dynastie XIX, geen nieuwe stadsmuren gebouwd. In plaats daarvan bleven de muren uit de Midden-Bronstijd en de bijbehorende gebouwen in gebruik. Deze muur was twee meter dik en bij deze verdediging hoort onder andere dat wat tegenwoordig “the Spring Tower” wordt genoemd, een toren om de Gihon-bron te beschermen. Deze toren is gemaakt van enorme steenblokken met een gemiddeld gewicht van 3-4 ton; het wordt het grootste bouwwerk genoemd dat bekend is in Jeruzalem van voor de eerste eeuw v.Chr.. Een andere enorme toren beschermde een uit de rotsen gehakte poel bij de Gihon-bron. Deze fortificaties lijken nog steeds in gebruik in de IJzertijd II, lang na dynastie XIX. 9

De Millo

Salomo bouwde onder andere de Millo (1 Kon 9:15, 24, 11:27), en dat gebouw is te identificeren met het Stepped Stone Structure uit de archeologie. Maar de Millo wordt ook al genoemd in Davids tijd. David bouwde een muur “vanaf de Millo naar de binnenzijde” (2 Sam 5:9), ofwel “rond de stad, vanaf de Millo en er omheen” (1 Kro 11:8).

Het terrassensysteem van de Millo is gebouwd boven op een kamer, waar op de vloer een kruik werd gevonden van een type dat vanaf de late 13e eeuw werd gebruikt.  10 Dit is in de standaardchronologie de laatste fase van de Bronstijd, ofwel Davids tijd.

Davids paleis

De Feniciërs bouwden voor David een paleis in Jeruzalem (2 Sam 5:11), een gebouw waarvan in ieder geval het dak boven de andere gebouwen in Jeruzalem uitstak (2 Sam 11:2, 16:22).  “Absalom ging (daar) naar de bijvrouwen van zijn vader, voor de ogen van heel Israël.” (2 Sam 16:22)

Eilat Mazar dacht oorspronkelijk dat Davids paleis ten noorden van wat toen nog een fort genoemd werd, maar tegenwoordig bekend staat als het Large Stone Structure (LSS). Ze groef het LSS op en identificeerde het met het paleis van David, maar het lijkt eerder op het paleis van Salomo. 11 Ze zocht het paleis oorspronkelijk hoger dan het LSS en als bron van het hardsteen, dat in het gebied direct ernaast werd gevonden en vaak in koninklijke gebouwen werd gebruikt, mogelijk toen het paleis werd verwoest. 12 In het LSS is geen hardsteen gevonden 13, dus de bron van het hardsteen ligt mogelijk nog erboven.

Geen onderdeel van Egypte

Israël was onder David zelfstandig, geen onderdeel van een ander land. Dat wordt al vanaf zijn kroning duidelijk gemaakt (2 Sam 5:11-12, 17, 7:1, 8:1-14). Als het om Egypte gaat valt dat te controleren.

David was niet alleen een tijdgenoot van Merenptah, maar ook van diens vader, Ramses II (1043-977). Vanaf het midden van Ramses’ regering, dus ongeveer vanaf 1010, schrijven de Egyptenaren nog maar weinig over activiteiten in Israël. Merenptah had een garnizoen in het centrale heuvelland, waarschijnlijk in Liftah bij Jeruzalem, maar behalve zijn al genoemde Israël Stela is er in Davids tijd niks te vinden. Er is geen duidelijk archeologisch bewijs, zoals stelae, dat Merenptahs grenzen uitgezonderd het garnizoen in Liftah verder lagen dan het land van de Filistijnen. Het contact met Tyrus en Ugarit hoeft alleen te betekenen dat die steden met Egypte handelden. 14 Mogelijk lag het garnizoen daar voor Merenptahs oorlog.

Egyptisch aardewerk komt bijna alleen voor aan de kust van Israël, en langs de grote weg naar het noorden. Op plek waar vanuit de verouderde veronderstelling dat Israël in deze tijd een onderdeel was van Egypte, Egyptisch ardewerk wordt verwacht, wordt zelfs gedacht dat die plekken tijdelijk niet bewoond werden! Israël had daarentegen een eigen cultuur. De Egyptische spullen die zijn gevonden lijken juist het gevolg van het overnemen van die cultuur, niet van overheersing. In heel de Levant regeerden lokale vorsten. 15

Baäl-Perazim 16

“Toen de Filistijnen hoorden dat zij David tot koning over Israël gezalfd hadden, trokken alle Filistijnen op om David te zoeken.” Er kwam een oorlog en David versloeg hen in het dal Refaïm. Die plaats noemde hij Baäl-Perazim, “bezitter van doorbraken”. (2 Sam 5:17-20) (Baäl is hier niet de naam van de afgod, maar betekent eigenaar of bezitter. 17 ) Jesaja profeteerde: “Want de HEERE zal opstaan zoals op de berg Perazim, Hij zal woeden, zoals in het dal van Gibeon” (Jes 28:21).

Giloh is de moderne naam van een ruïne op de top van een hoge bergkam, met uitzicht op het dal Refaïm. Dit is waarschijnlijk de plek van Baäl-Perazim. Deze plek was maar kort bewoond, helemaal aan het eind van de Late Bronstijd tot aan het begin van de IJzertijd. In de standaardchronologie is dit veel te vroeg voor Davids tijd. In de 8e-7e eeuw, de tijd van Jesaja, werd hier een uitkijkpost gebouwd. 18

Hadadezer

In Davids tijd reikte het land van zijn tegenstander Hadadezer, de koning van Soba, tot aan de rechteroever van de Eufraat (2 Sam 8:3, 10:16). Het is mogelijk om een herinnering aan dit rijk te vinden in Assyrische bronnen; zie hier.

De Dode Zee

David versloeg de Syriërs in het Zoutdal (2 Sam 8:13) toen zijn generaals Joab (Ps 60:2) en Abisaï (1 Kro 18:12) de Edomieten versloegen in het Zoutdal. Ook Amazia versloeg Edom in het Zoutdal (2 Kon 14:7, 2 Kro 25:11). In mijn chronologie leefde David helemaal aan het eind van de Late Bronstijd en Amazia in de IJzertijd.

Edom ligt direct aan de Dode Zee. Nergens anders in het Heilige Land dan de Dode Zee is er een landschap dat past bij de term Zoutdal. In deze tijd zal het zuidelijke deel van de Dode Zee daarom in ieder geval gedeeltelijk droog hebben gestaan. 19 Tijdens de Late Bronstijd stond het zuidelijke deel van de Dode Zee gedeeltelijk droog, en rond de overgang naar de IJzertijd kwam het zuidelijke deel vrijwel helemaal droog te staan. In de omgeving was zout achtergebleven van de veel hogere waterniveaus uit de Vroege Bronstijd. 20

Hongersnood

In het laatste decennium van Davids regering kreeg Israël te maken met een 4-jarige hongersnood. Deze kan gedateerd worden op 977-974; het laatste jaar, 974, was ook het jaar van een bijna verloren strijd tegen de Filistijnen (2 Sam 21:15-22, 22:16-18).

Mijn chronologie van het Nieuwe Rijk past naast de chronologie van de Bijbel, omdat de Filistijnen zich pas een halve eeuw na Davids dood in het land vestigden dat naar hen genoemd is; in de periode daarvoor wordt hun naam gebruikt voor de eerdere eigenaren. De Septuagint vertaalt de naam Filistijnen dan ook vaakt met “andere volken”. In de tijd van David waren de eigenaren van dit land de Egyptenaren van dynastie XIX; zie hier. Het is alleen dan dat de bijna verloren oorlog uit 974 een oorlog tegen Egypte blijkt te zijn. Vanuit Egypte is de oorlog van Merenptah (977-968) in Israël in 974 te plaatsen. Hij schreef hierover op de Israël Stela: “Israel is desolated, his seed is not”.

Tachpenes

Tijdens Davids regering leefde Tachpenes, de vrouw van de farao (1 Kon 11:19-20). Als dit haar naam was, en niet een variant van de titel vrouw van de koning, is ze te identificeren met Tent-hapi; zie hier. Tent-hapi had een dochter, die dezelfde naam had als een dochter van Ramses II (1043-977), die in mijn chronologie een tijdgenoot is van David.

Davids voorschriften

God had David beloofd dat zijn zoon een tempel voor Hem zou bouwen (1 Kro 28:6), maar dat betekent niet dat hij achterover leunde tot zijn tijd voorbij was. Hij bereidde ontwerpen voor, voorschriften en materiaal, (1 Kro 28:11-19) zodat Salomo bij wijze van spreke alleen hoefde te beginnen. Er zal ook een ontwerp voor het reukofferaltaar bij hebben gezeten, want David gaf daar goud voor (vers 18). Davids voorschriften voor de tempel bleven nog eeuwenlang bewaard (2 Kro 35:4, 15).

Het is mogelijk om hiervan een echo te vinden in Mesa’s inscriptie. Mesa schrijft onder andere dat hij Ataroth veroverde op Israël;  “I took it and I slew all the people [and] the city became the property of Kemos and Moab and I carried from there its Davidic altar hearth”. 21 In Ataroth werd de God van Israël aanbeden. 22

laatste wijziging: 28 november 2022
30 oktober 2023: toegevoegd de Dode Zee
15 mei 2024: toegevoegd het stukje over Baäl-Perazim

  1. By A monk, whose name is unknown, Public Domain, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=30709642[]
  2. André Lemaire, From the Origin of the Alphabet to the Tenth Century B.C.E.: New Documents and New Directions, in New Inscriptions and Seals Relationg to the Biblical World (2012), p. 41[]
  3. André Lemaire, From the Origin of the Alphabet to the Tenth Century B.C.E.: New Documents and New Directions, in New Inscriptions and Seals Relationg to the Biblical World (2012), p. 42[]
  4. Hallvard Hagelia, Philological Issues in the Tel Dan Inscription, in Current Issues in the Analysis of Semitic Grammar and Lexicon I, Oslo-Göteborg Cooperation 3rd-5th June 2004 (2005), p. 236, uitleg voor zijn vertaling op p . 237-238[]
  5. Shmuel Aḥituv, Echoes From The Past (2008), p. 468[]
  6. Shmuel Aḥituv, Echoes From The Past (2008), p. 417[]
  7. Shmuel Aḥituv, Echoes From The Past (2008), p. 394-395[]
  8. André Lemaire, From the Origin of the Alphabet to the Tenth Century B.C.E.: New Documents and New Directions, in New Inscriptions and Seals Relationg to the Biblical World (2012), p. 43[]
  9. James (2015), p. 241[]
  10. Faust (2010), p. 123[]
  11. Faust (2010), p. 116, 120[]
  12. Faust (2010), p. 117[]
  13. Faust (2010), p. 120[]
  14. James (2015), p. 246[]
  15. James (2015), p. 240[]
  16. Met dank aan Jeremy Goldberg, C&CW 1995-2.txt[]
  17. Cambridge Bible for Schools and Colleges, commentaar op 2 Samuel 5:20[]
  18. Amihai Mazar, Giloh: An Early Israelite Settlement Site near Jerusalem, in Israel Exploration Journal, Vol. 31, No. 1/2 (1981), p. 31-33[]
  19. Amos Frumkin en Yoel Elitzur, Historical Dead Sea Level Fluctuations Calibrated with Geological and Archaeological Evidence, in Quaternary Research 57 (2002), p. 341[]
  20. Frumkin en Elitzur, op. cit., p. 337-338[]
  21. Shmuel Aḥituv, Echoes From The Past (2008), p. 394[]
  22. Shmuel Aḥituv, Echoes From The Past (2008), p. 407[]

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *