Categorieën
Sumer en Akkad

Ur III

De ruïnes van Ur, met op de achtergrond de Zigurrat van Ur. Deze is gebouwd door Ur-Namma, de eerste koning van Ur III. 1

Inleiding

De derde dynastie van Ur is een van de best gedocumenteerde periodes in de vroege geschiedenis van Mesopotamië. Er zijn zo’n 50.000 kleitabletten uit deze tijd bewaard gebleven, over zo ongeveer elk deel van de activiteiten van het rijk. 2 Haar datering is een leuke puzzel. De precieze jaartallen hangen namelijk af van een aantal maansverduisteringen en twee zonsverduisteringen die gekoppeld zijn aan belangrijke gebeurtenissen, maar ze noemen op één na geen specifieke koningen of regeringsjaren.

Toeval bestaat, zoals ze zeggen, ook in chronologisch onderzoek. De ondergang van Ur III betekende het begin van de dynastieën van Larsa en Isin I. Isin I werd uiteindelijk overwonnen door Larsa, en Larsa weer door Hammurabi (1445-1403) van Babylon I. In mijn eerste chronologie van Mesopotamië had ik Hammurabi 16 jaar later gedateerd dan mogelijk bleek. Naplanum, de eerste koning van Larsa, kwam toen uit op 1662-1642. Door hem te identificeren met de Naplanum die precies 21 jaar wordt vermeld in de tijd van Ur III, werden de jaartallen van Ur III 1722-1615. En ondanks de fout aan het begin van die zoektocht passen die jaartallen bij de maans- en zonsverduisteringen. Ik kan dan ook alleen concluderen dat God me hierin heeft geleid.

In mjn nieuwe chronologie van Mesopotamië blijft Ur III daarom op haar plek staan. Dit betekent dat de dynastieën van Larsa en Isin I ten opzichte van de standaardchronologie met een paar decennia ingekort moeten worden, wat mogelijk is. Dat komt nog in de posts over die dynastiën.

Maandlengtes

Niet alleen de maansverduisteringen worden gebruikt om Ur III te dateren, er is ook een lijst met 228 maanden waarvan de lengte precies bekend is. Ze worden opgesomd door Huber. 3 In Mesopotamië werden verschillende maankalenders gebruikt en daarbij zijn maanden net iets vaker 30 dagen lang in plaats van 29. Het begin van de maand hangt namelijk af van de zichtbaarheid van de eerste sikkel en vanaf de aarde gezien is dat niet altijd duidelijk. In alle 5000 mogelijkheden tussen 2214 en 1810, de tijd waar de standaardchronologie deze 228 maanden laten beginnen, hebben de beste opties er slechts 83-89 fout.4

Het nut van de maandlengtestatistieken hangt af van de nauwkeurigheid van de kalender. Een onnauwkeurige kalender kan zelfs ongeveer 50% van de maandlengtes verkeerd hebben, en dan zijn deze statistieken niet meer belangrijk. In de 153 bekende maanden met 30 dagen uit de 7e en 6e eeuw v.Chr. bleken er 50 verkeerd te zijn, ofwel 32,7%. De Babyloniërs verbeterden gaandeweg hun kalender, dus verwacht kan worden dat de kalender van een millennium eerder minder nauwkeurig was. Er is dan meer ruimte voor fouten. 5 Ondanks de maandlengtestatistieken kiest Teije de Jong voor, in de standaardopties, de lage middenchronologie, waar slechts 43% van de statistieken klopt. 6

Het begin van de lijst heb ik getest in mijn chronologie. In jaar 39 van Shulgi (1666) had maand VI 30 dagen (goed), net als in jaar 40 (1665) de maanden V (fout) en VIII (goed), in jaar 41 (1664) de maanden I (goed) en VIII (goed), in jaar 42 (1663) de maanden II (fout) en XII (fout), in jaar 43 (1662) de maanden II (fout), IX (fout) en XI (fout), en in jaar 44 (1661) de maanden I (goed), III (fout), VII (goed) en XIII (fout). Maand X in jaar 40 heeft slechts 29 dagen (goed), net als waarschijnlijk maand IV in jaar 44 (fout). Dit zijn 7 goeds en 8, waarschijnlijk 9, fouts. Net als De Jong heb ik deze maandlengtes daarom genegeerd.

Schrikkelmaanden

Wel nuttig is een reconstructie van de kalender, op basis van de bekende schrikkelmaanden. De meeste maansverduisteringen zijn namelijk gedateerd op een bepaalde maand.

In de tabel hieronder hebben schrikkelmaanden de nummers XIII. De enige uitzondering op deze kalender is XIb, een extra maand XI in jaar 3 van Amar-Sin. Een jaar met een * is er één waaruit geen schrikkelmaand bekend is. Als je kijkt naar de jaren eromheen waren ze er waarschijnlijk ook niet, want de kalender loopt rustig door. De andere jaren hadden geen schrikkelmaanden. Alleen voor jaar 40 van Shulgi is dat onzeker. Dit is slechts één kalender van de vele in Sumer en Akkad; elke stadstaat had haar eigen, met eigen schrikkelmaanden en meestal eigen maandnamen, en de kalenderhervormingen van Shulgi, Amar-Sin en Shu-Sin werden niet altijd gevolgd. 7 Als je even verkeerd kijkt in een lijst zit je daarom meteen fout. Ik had dan ook eerst de schrikkelmaand in jaar 4 van Amar-Sin meegerekend bij de rijkskalender, maar deze schrikkelmaand gaf hij alleen aan Puzriš-Dagan, niet aan de rest van het land. 8 De schrikkelmaand in jaar 3 van Ibbi-Sin hoorde bij de andere steden, voor zover bekend niet in de rijkskalender van Ur. 9 Als beide schrikkelmaanden wel meegerekend worden viel nieuwjaarsdag in jaar 9 van Ibbi-Sin niet meer in maart-april, maar op 1 juli!

Uit de periode voor jaar 29 van Shulgi en vanaf jaar 9 van Ibbi-Sin zijn geen, of in ieder geval niet genoeg, schrikkelmaanden bekend om de kalender te kunnen reconstrueren. In de tussenliggende periode blijkt Shulgi een schrikkelmaand te veel te hebben toegevoegd, zodat het begin van het jaar verschoof van de tweede helft van maart/eerste helft april naar rond april.

Maansverduisteringen

Ur III is het meest nauwkeurig te dateren aan de hand van een aantal maansverduisteringen. Deze komen staan in is de Enuma Anu Enlil, een serie kleitabletten die astrologie en astronomie met elkaar vermengt. Aan de hand van serieuze observaties werden voorspellingen gedaan voor belangrijke gebeurtenissen. Helaas bestaat de originele tekst niet meer en moeten we het doen met kopieën van kopieën, die sinds ze onder het zand verdwenen regelmatig beschadigd zijn.

De Enuma Anu Enlil schijnt geschreven te zijn door Esangil-kīn-apli, een geleerde uit Borsippa met een enorme autoriteit. Hij leefde in de tijd van Adad-apla-iddina, een koning van Babylon uit de tweede dynastie van Isin, in mijn chronologie mogelijk omstreeks 1000-900. 10 De Babyloniërs geloofden dat de geschiedenis zich herhaalt. Dus, als ze gebeurtenissen uit het verleden in algemene termen in de toekomstige tijd opschreven, voorspelden ze de toekomst. Eén van de dingen waarbij dat duidelijk naar voren komt zijn voortekens. Als er in de natuur iets gebeurt volgde naar hun idee altijd dezelfde bijbehorende historische gebeurtenis. 11 In Esangil-kīn-apli’s tijd waren deze voorspellingen al eeuwenoud en hij moet hebben geweten of ze waren uitgekomen. Dat hij ze accepteerde wil zeggen dat dat het geval was. Ondanks dat noemen sommigen de voorspelling “the invention of history that never was”. 12

Ik ga ervanuit dat de voorspellingen de waarheid bevatten. Maar liefst zes maansverduisteringen kunnen namelijk worden gekoppeld aan gebeurtenissen die uit andere bronnen bekend zijn, èn passen in de bovenstaande reconstructie van de kalender. Aan het eind van de laatst gedateerde maansverduistering was Mars zichtbaar, zoals in de beschrijving staat.

Andere chronologieën

Mijn chronologie van Ur III, alhoewel in den beginnen gebaseerd op een fout, blijkt te bevestigen door zes maansverduisteringen, twee zonsverduisteringen, een gedateerde opkomst van de planeet Mars en het zichtbaar zijn van zowel Venus als Jupiter op de dag van een zonsverduistering.

In de standaardchronologie zijn er meerdere opties. De hoge versie, met de oudste jaartallen voor Ur III, is gebaseerd op vier maansverduisteringen. 13 Zowel de midden- als ultra-lage versies dateren Ur III aan de hand van slechts twee maansverduisteringen, één vlak voor Shulgi’s dood en één vlak voor het einde van de dynastie. 14 Alle drie vragen ze zich niet af of die resultaten passen bij de bekende schrikkelmaanden en houden ze zich alleen bezig met de sterfjaren van de koningen. Er gebeurde veel meer dat dankzij de Enuma Anu Enlil te dateren is.

De kans dat een chronologie die van te voren al tot op het jaar precies geplaatst is, zoals hier gebeurde dankzij een foute gedachte, bevestigd kan worden door één daaraan gekoppelde maansverduistering, is minder dan 5%. 15 Ik kan opnieuw niet anders concluderen dan dat God me hierbij heeft geleid.

Ur-Namma

1722-1705

De Ur III-versie van de Sumerische Koningslijst 16: Ur-Namma, 18 jaar
Sumerische Koningslijst (SKL): In Urim, Ur-Namma became king; he ruled for 18 years.
MS 1686 17: 18 years Ur-Namma (was) king

Zijn naam kan zowel als Ur-Namma en Ur-Nanama gelezen worden. Hier is gekozen voor Ur-Namma, omdat het een gebruikelijke lezing is. ((Esther Flückiger-Hawker, Urnamma of Ur in Sumerian Literary Tradition (1999), p. 8-9))

Zijn schoonvader was Utu-hegal van Uruk V (1712-1706).

Volgens een verhaal raakte hij gewond in een veldslag en werd naar zijn bed in zijn paleis gebracht, maar daar is hij gestorven, in de kracht van zijn leven.

Shulgi

Šulgi
1704-1657

Ur III-versie van de SKL: Invocation of Šulgi, wishing him a long life. Dit is het einde van deze lijst, die zal zijn geschreven in zijn regering.
SKL: Šulgi, the son of Ur-Namma, ruled for 46 (mss. Su3+Su4, TL have instead: 48) (ms. P5 has instead: 58) years.
MS 1686: 48 years Šulgi (was) king

Volgens zijn grootvizier Aradmu heerste hij “from the sea of Dilmun land (Perzische Golf) to the brackish waters at the foot of the Amorite Highlands (in Syrië), to the borders of Simurum in the land of Sibur (ten noorden van Assyrië)”. 18

Hij was heel tevreden over zijn dienaar Isbhi-Erra. Het is mogelijk dat dit Isbhi-Erra is, de latere koning van Isin I (1635-1623).

De val van Babylon

Enuma Anu Enlil, kleitablet 20, van een tekst uit de bibliotheek van Sippar waarvan de lacunae aangevuld zijn dankzij andere kopieën: “[(If) on] 14th [Šabāṭu (maand XI, januari/februari) (the moon god) brings about an] eclipse [and in his eclipse the god] becomes dark [on the side south] above and [clear] on the side [east below (variant: above), a north wind (blows),] in the dawn watch he begins (the eclipse) and [in the company of the sun his cusps] are jabbing into [the sky, he does not cover] the whole lunar disk (lit. “emblem”) [and disappears] – observe [on the 28th day], (to see if) an eclipse is at hand: (the moon god) will rise, [be red and show you an eclipse] – observe the eclipse of the god who in his [eclipse] became visible and disappeared, and [keep in mind the north wind.] A prediction [is given] for Babylon: [the destruction of Babylon] is at hand; the scattered nation, [it]s scattering [is near. Enlil cursed and] reviled [the entire land:] the king to whom [he said (variant: they said)] “Yes”, [his people will be scattered,] his reign will come to an end, in the assembly of the gods [his destruction is at hand.] Ur [will steal] the hegemony of Babylon; Ur will take over [the power of Babylon.] The god [in whose eclipse the night elapsed: thus his portent and prediction.]” 19

Een oudere variant van de voorspelling heeft ook goed nieuws voor Babylon: “[Therein] a prediction is given for Babylon: [the destruction] of Babylon [is near; Enlil has reviled] all the lands: the four nations (= de volledige wereld) in the assembly of the great gods, dwelling amid [ruination(?) has been decreed for them(?). [Ur] will take away from there [the hegemony of] Babylon. (If) [night elapses] while the god is in eclipse: [floods] will come [in the rivers,] rains the tsky, the harvest will be a success, good fortune will occur.” Een gefragmenteerde variant: “[…] will experience trouble. Enlil […]. The hegemony of Babylon [Ur will steal(?) (…)] In Šabāṭu [there will be] inundation in the river, rain [in the sky(?) (…)]” Een later commentaar uit Uruk op deze verduistering zegt dat het een volledige verduistering was, maar dat is onverwacht; mogelijk klopt de tekst niet. 20

Van de tekst van deze voorspelling wordt weleens afgebroken bij “the destruction of Babylon is near.” Met alleen die ene zin is het logisch om de val van Babylon te zoeken aan het eind van Hammurabi’s dynastie. 21 Maar Babylon werd toen ingenomen door de Hethieten, waarvoor zie hier, en volgens de voorspelling nam Ur de macht van Babylon over. Er zijn een paar aanwijzingen om de bovenstaande maans- en zonsverduisteringen aan het eind van Shulgi’s regering te plaatsen:

  • In ABC 20, de Chronicle of Early Kings, staat over Shulgi: “But he had criminal tendencies and the property of Esagil (de tempel van Marduk in Babylon) and Babylon he took away as booty. Bel caused […] to consume his body and killed him.”
  • Ook volgens ABC 19, de Weidner Chronicle, was Shulgi niet geliefd in Babylon: “Then Marduk gave sovereignty over the whole world to Šulgi, son of Ur-nammu, but he did not perform his rites to the letter, he defiled his purification rituals and his sin […].” Een paar regels verder staat: “what Šulgi did, his sin”, maar de context is helaas onduidelijk.
  • In een gedicht dat tegenwoordig Self-praise of Shulgi D heet worden volgens een zekere J. Klein (1981) twee verduisteringen genoemd: één van de maan (de maangod Nanna, ofwel Sin) en één van de zon (de zonnegod Utu, ofwel Shamash). 22 De tekst: “The king … On that day, in the foreign land … His roar … the hills … The city which Enlil has … which An has …, which Nintud has …, which Enki has … good wisdom. Nanna has … the heights of heaven, Utu has … on the horizon, Inana the lady of the battle has frowned (?) on it. The people of the rebel lands … like a dead reed … The great and terrible battle of Šulgi …”
  • Aan het eind van Shulgi’s regering is er iets opvallends aan de gouverneurs van Babylon. Arši-aḫ wordt als gouverneur vermeld in maand III in jaar 43 (1662). Ook uit jaar 43 komt een zegel met de tekst: “Šulgi, mighty man, king of Ur, [king of the four quarters]: Abba, scri[be], son of Itur-ilum, governor of Babylon, (is) your servant.” Dit is de datering van Abba, hij geeft alleen aan dat hij de zoon van een gouverneur is. Omdat Arši-aḫ in dat jaar gouverneur was zal Itur-ilum één van zijn voorgangers zijn. Abba was gouverneur in maand II+x van jaar 44 (1661), maar Arši-aḫ was dat opnieuw in jaar 46 (1659), en nog in de jaren 2-7 van Amar-Sin. 23 Arši-aḫs tijd als gouverneur werd dus onderbroken door Abba, de zoon van een eerdere gouverneur.
  • Aan het eind van Shulgi’s regering kwamen verschillende steden tegen hem in opstand. Jaarnaam 46 vertelt wat er in jaar 45 (1660) gebeurde: “The year Šulgi, mighty man, king of Ur, king of the four quarters, destroyed Kimaš, Ḫurti and their lands in a single day.” Volgens een kleitablet uit maand V in jaar 46 werd de gouverneur van Kimaš gevangen genomen tijdens die oorlog. Niet alle oorlogen zijn vermeld in zijn jaarnamen, zoals de oorlog tegen Simaški. En ook al wordt gouverneur Bazamu van Ḫurti vermeld in jaar 47, volgens jaarnaam 48 was er in dat jaar een nieuwe oorlog tegen Ḫurti. 24
  • Veel andere voorspellingen uit de Enuma Anu Enlil komen uit en rond de tijd van Akkad en Ur III.
  • De koning van het Ur uit de voorspelling kan alleen uit dynastie Ur III komen, want eerder en later in deze periode waren de koningen van Ur niet machtig genoeg om zo ver naar het noorden te trekken. De eerste zekere vermelding van Babylon is een jaarnaam van Shar-kali-sharri van Akkad; pas in Ur III-tijden werd Babylon vaker genoemd. 25

De tekst van de voorspelling zal dus over de tijd van Ur III gaan, en volgens ABC 20 was de koning die Babylon innam Shulgi, in de laatste jaren voor zijn dood. In die tijd kwamen verschillende steden in opstand en werd Arši-aḫs tijd als gouverneur van Babylon onderbroken door Abba. Als Abba net als onder andere de gouverneurs van Kimaš en Ḫurti in opstand kwam, had hij Arši-aḫ verdreven en, zolang de voorspelling over deze gebeurtenis gaat, zichzelf uitgeroepen tot koning. Een aanval van Shulgi op hem betekende dan het einde van zijn heerschappij. In mijn chronologie komt de enig passende combinatie van maan- en zonsduisteringen uit het begin van 1659. Dit is slechts anderhalve maand voor het begin van jaar 46, waarin Arši-aḫ opnieuw als gouverneur wordt vermeld, en kort na Abba’s vermelding als gouverneur in jaar 44. In de oudste variant van de voorspelling komt er voorspoed na de rampspoed. Dit is dan de tijd van Arši-aḫs tweede termijn als gouverneur; hij bleef nog meerdere jaren zitten.

Op 9 februari 1659, ruim twee jaar voor Shulgi’s dood, was er een maansverduistering die bijna precies aan de beschrijving voldoet. Het was geen volledige verduistering. De maan werd donker aan de onderkant (niet de bovenkant) van het zuiden, en het donker verliet de maan aan de onderkant van het oosten. De verduistering begon rond kwart over 6 ’s ochtends, ofwel in de laatste wacht, en eindigde met zonsopkomst. Precies 14 dagen later, op 23 februari 1659 om kwart voor 12, was er een zonsverduistering. De zon was toen 68,934% verduisterd. Dat is niet bijzonder veel, zonder wolken of stofstormen schijnen verduisteringen van minder dan 95% meestal gemist te worden door iemand die met het blote oog kijkt, 26 maar het is mogelijk dat de zonsverduistering voorspeld was. De Babyloniërs waren daartoe in staat, volgens kleitablet 23 van de Enuma Anu Enlil. 27 Als de zon onverwacht toch verduisterde hadden ze daar zelfs een betekenis voor. 28 Lager dan 95% zijn maansverduisteringen in ieder geval soms zichtbaar. De Angelsaksische Kroniek noemt bovendien de zonsverduisteringen van 15 februari 538 en 20 juni 540 n.Chr.. Er staat niet bij waar gekeken werd, maar in Engeland was de zon beide keren het meest verduisterd op het Isle of Wight, 60,6% respectievelijk 58,6%.

Tussen 1951 en 1351 zijn er slechts drie van deze combinaties die min of meer passen: 8 en 22 januari 1713, 9 en 23 februari 1659, en 14 en 29 april 1532. De eerste past “redelijk goed”, de tweede “zelfs beter” en de derde “het slechtst”. De derde heeft bovendien 15 dagen tussen beide verduisteringen, niet 14. 29

Shulgi’s dood

Enuma Anu Enlil, kleitablet 20: “If an eclipse occurs on the 14th day of Simānu (maand III, mei-juni), and the god in his eclipse becomes dark on the side east above, and clears on the side west below. … (The eclipse) “pulls out” (issuh) the first watch and touches the middle watch (so Recension A; B has: “equalizes” (imšul) the first watch). … The king of Ur, his son will wrong him, and the son who wronged his father, Šamaš (zonnegod) will catch him. He will die in the mourning place of his father. The son of the king who was not named for the kingship will seize the throne.” Huber schrijft hierbij dat de vertaling van issuh en imšul verre van zeker is. 30

Deze maansverduistering bleef eerst een raadsel voor me, want hij past niet bij een gewone maand III. Pas toen ik de schrikkelmaanden bekeek ontdekte ik dat Shulgi in jaar 47 een schrikkelmaand meer toevoegde dan nodig was. De maansverduistering kan nu alleen die van 14 juli 1657 zijn. De maan werd toen donker in het oosten (onder, niet boven) en weer helder in het westen, onder. Het begon in de eerste wacht en eindigde in de middenwacht, zoals volgens Recension A. Huber accepteert ergens een maansverduistering die op drie punten afwijkt 30, dus ik ga voor deze. Er zijn bovendien meer fouten in de Enuma Anu Enlil dan er varianten zijn overgebleven. 31

De vermoorde koning is daarom, net als in de standaardchronologie, Shulgi. ABC 20, de Chronicle of Early Kings, zegt dat hij vermoord werd. Hij stierf aan het eind van maand X of aan het begin van XI.32

Amar-Sin

Amar-Sîn
1656-1648

SKL: Amar-Suena, the son of Šulgi, ruled for 9 (ms. Su3+Su4 has instead: 25) years.
MS 1686: 9 years Amar-Suen
MS 1915 33 noemt al zijn 9 jaarnamen.

Een slechtbewaarde en korte brief: “Speak to Amar-Sin, saying (the words) of Šulgi, your king: In the matter of the . . . field, concerning which that letter was dispatched: By your righteous birth you are of royal seed! Why have you not . . . the decisions concerning the field? . . .” 34

ABC 19, Weidner Chronicle: “Amar-Sin, changed the offerings of large oxen and sheep of the Akitu festival in Esagila (de tempel van Marduk in Babylon). It was foretold that he would die from goring by an ox, but he died from the “bite” of his shoe.”

Shu-Sin

Šu-Sîn
1647-1639

SKL: Šu-Suen, the son of Amar-Suena, ruled for 9 (ms. P5 has instead: 7) (ms. Su1 has instead: 20 + X) (ms. Su3+Su4 has instead: 16) years.
MS 1686: 9 years Šu-Suen
MS 1915 noemt al zijn 9 jaarnamen.

ABC 19, Weidner Chronicle: “Šu-Sin made Esagila like the constellations for this well-being BROKEN (hier was het kleitablet waarvan gekopieerd werd beschadigd) what Šulgi did, his sin, his son Ibbi-Sin. BROKEN a former king who proceeded […]” Hierna eindigt de kroniek met een boodschap aan Sumu-la-El van Babylon (1533-1498), in wiens tijd het origineel kennelijk is geschreven. “Tablet of Marduk-etir, son of Etir-[…]-haya, devotee of Nabû. To be returned in case of loss.”

Belastingen

Enuma Anu Enlil, kleitablet 15, over maansverduisteringen: “[If an eclipse] begins [in the] north and the north wind blows, [there will be] a decr[ease in barley in the taxable yield of Akkad]; the king of the world will die.” 35 De term “king of the world” lijkt in de Enuma Anu Enlil te verwijzen naar Ur. 31

De voorspelling heeft te maken met belastingen. Een eerste teken van het verval van Ur III begon in het laatste jaar van Shu-Sin, toen in tegenstelling tot de planning er niks was ontvangen van de grens. In Ibbi-Sins eerste 2 jaar kwam er minder belasting binnen uit de oostelijke regio’s. In jaar 3 eindigen de belastinginkomsten van de grens, zoals geregistreerd in Drehem (Puzrish-Dagan). 36 Vlak voor het begin van Shu-Sins laatste jaar, op 28 januari 1639, begon een maansverduistering in het noorden.

Ibbi-Sin

Ibbi-Sîn
1638-1615

SKL: Ibbi-Suen, the son of Šu-Suen, ruled for 24 (mss. P5, Su1 have instead: 25) (ms. Su3+Su4 has instead: 15) (ms. TL has instead: 23 (?)) years.
MS 1686: 24 years Ibbi-Suen
MS 1915 eindigt met zijn eerste 3 jaarnamen.

De opstand van Eshnunna

Enuma Anu Enlil, kleitablet 21: “If an eclipse occurs on the 14th day of Arahsamna (maand VIII, oktober/november), and it begins in the north and clears in the south, var[iant: …]; it begins in the middle watch and clears in the morning watch, variant: when it (i.e. the sun) rises. You observe this eclipse and [bear in mind the north]. The prediction is given for the king of the world: either the king will die, or a large army will fall, or a large army will revolt.” De term “king of the world” lijkt in de Enuma Anu Enlil te verwijzen naar Ur. 37

Huber gaat ervanuit dat deze maansverduistering alleen de dood van de koning kan betekenen. Maar in geen van de overlijdensjaren van de koningen van Ur III (1705, 1657, 1648, 1639, 1615) is eenzelfde eclips te vinden, en een opstand van een groot leger is ook een van de mogelijkheden. Shulgi kreeg in zijn laatste jaren te maken met opstanden, waarvoor zie hier, en ook Ibbi-Sin kreeg ze. In 1664-1658, de laatste jaren van Shulgi, is geen passende maansverduistering te vinden. In heel Ibbi-Sins regering voldoet slechts één maansverduistering aan de beschrijving uit de Enuma Anu Enlil. Op 17 november 1636, rond kwart over drie ’s nachts, begon een verduistering die eindigde met zonsopkomst. Zoals in het plaatje hieronder staat werd eerst het noorden van de maan verduisterd, en kwam het zuiden van de maan als eerste weer tevoorschijn.

Het verval van Ur III begon in het laatste jaar van Shu-Sin, toen in tegenstelling tot de planning er niks was ontvangen van de grens. In Ibbi-Sins eerste 2 jaar kwam er minder belasting binnen uit de oostelijke regio’s. In jaar 3 eindigen de belastinginkomsten van de grens, zoals geregistreerd in Drehem (Puzrish-Dagan), wat betekent dat er iets gebeurde in de oostelijke grenslanden in jaar 3. Hierna eindigen plotseling vele archieven en in jaar 6 heerste Ibbi-Sin alleen nog over Ur, Uruk, Adab, Nippur en de regio’s eromheen. 36

17 november 1636 is op de kalender boven aan deze post dag 14 van maand VIII in jaar 3. De voorspelling zal daarom te maken hebben met wat er gebeurde in Eshnunna. Deze stad beheerste de toegangsweg van Mesopotamië naar Iran door de Diyala-vallei en was het belangrijkste militaire en administratieve centrum in de regio. In Eshnunna komt de laatste tekst met Ibbi-Sins jaarnamen uit maand IX in jaar 3. Daarna werd de gouverneur van Eshnunna, Ituria of zijn zoon Šu-iliya, onafhankelijk. Hoe dat gebeurde is onduidelijk, want het is onwaarschijnlijk dat Eshnunna onafhankelijk kon worden als de legers van Ur nog in het gebied rondliepen. 38 Als de tekst van de voorspelling gelijk heeft sloten de legers zich aan bij de gouverneur.

In deze periode was er meer onrust in de omgeving van Eshnunna. Jaarnaam 3 van Ibbi-Sin is “Year Ibbi-Sin the king of Ur destroyed Simurrum” (een land ten zuiden van de Diyala). Simurrum was een voortdurend probleem van zijn voorgangers. Vier jaar na de laatste vermelding van Ṣilluš-Dagan, de énsi van Simurrum, claimt Ibbi-Sin de overwinning over zijn land, maar het is mogelijk dat de oorlog verloren werd en Ibbi-Sins land daarom uit elkaar viel. 39 Ook in deze periode verloor Ibbi-Sin Elam (het zuidwesten van Iran). De laatste teksten met zijn jaarnamen in Susa komen uit jaar 3. Hierna werd Susa ingenomen door Ebarat, de koning van Šimaški; minstens twee of drie van zijn jaarnamen komen uit Susa. De overname was snel en onverwacht, want volgens de teksten was alles normaal tot in maand VII van jaar 3, toen Susa dadels ontving uit Girsu. 40

De inval van Ilu-shuma

Enuma Anu Enlil, kleitablet 21: “If an eclipse occurs on the 14th day of Addaru (maand XII, februari/maart), and it begins in the south and clears in the north; it begins in the evening watch and clears in the morning watch. You observe this eclipse and bear in mind the south. The prediction is given for the king of the world: The destruction of Ur. […… will be] destroyed, variant: an order to destroy its city walls will be given. While the barley is being heaped up, the devastation of the city and its environs (will occur).” 30

Een verwoesting van Ur doet denken aan Ibbi-Sin, in wiens tijd het koninkrijk uit elkaar viel. De enig passende verduistering uit zijn regering is degene van 12 maart 1632. Deze begon in de eerste wacht in het zuiden van de maan en eindigde in de laatste wacht in het noorden. Dat past met de kalender boven aan deze post; 12 maart is een halve maand voordat het nieuwe jaar begon. Het was de laatste maand van jaar 6.

Kleitableten van Ibbi-Sin uit het archief van de Inanna-tempel in Nippur eindigen met maand V in jaar 7 (1632); een ander archief uit Nippur heeft nog teksten uit jaar 8 (1631). Een archief uit Ur heeft kleitabletten uit jaren 1-8 (1638-1631), vooral tussen 5-8, en een ander archief vooral uit jaar 14 (1625), met sommige uit jaar 15-16 (1624-1623). Waar je ook kijkt, er is een verstoring van de archieven aan het eind van Ibbi-Sins jaar 2 of 3 (1637-1636) en aan het eind van jaar 7 en 8 (1632-1631). 41 De archieven van de grote steden eindigen allemaal vroeg onder Ibbi-Sin. Ze noemen hem niet meer na jaar 4 (Drehem, 1635), 5 (Umma, 1634), 6 (Girsu, 1633) en 8 (Nippur, 1631). Daarna wordt Ibbi-Sin alleen nog vermeld op kleitabletten uit Ur. Maar ook daar is jaar 9 (1630) is nauwelijks bekend en uit de jaren 10 (1629) en 24 (1615) zijn zelfs helemaal geen teksten bewaard gebleven. 42 In geen van deze teksten staat ook maar één aanwijzing waarom er niet meer geschreven werd. 43 Uit jaar 1 en 2 komt geen enkel bewijs van politieke, economische of militaire problemen, of een aankomende crisis. 39

De Amorieten vielen Ur lastig, maar er wordt te weinig over hen gezegd om te denken dat ze grote tegenstanders waren. Hetzelfde geldt voor slechte oogsten en klimaatverandering; in Lagash werd nog geoogst met een verhouding van 30:1 tot het gezaaide. Het gebrek aan graan in Ur vanaf het midden van Ibbi-Sins jaar 6 tot minstens in jaar 9 is geen verrassing, want in deze tijd hoorde alleen Ur nog bij Ibbi-Sins land. 44 Een deel van de oplossing is dat de loop van de Tigris mogelijk veranderde, en steden simpelweg verlaten werden omdat er geen, of niet genoeg, water meer was. In Girsu werd minder geoogst. Daar is geen bewijs van leven vanaf Ur III tot de tijd van Nur-Adad (1518-1503) van Larsa en zijn opvolger Sin-iddinam (1502-1496), en de eerste bronnen daarna komen uit de tijd van Rim-Sin (1475-1416). Zowel Sin-iddinam als Rim-Sin claimen de Tigris te hebben uitgebaggerd. In de buurt van Eufraat bleven vele steden wel bestaan. 45 De archieven van Lagash eindigen in jaar 6 van Ibbi-Sin (1633) en beginnen alweer onder Gungunum van Larsa (1585-1559). 46 Het was dus niet de volledige reden.

Volgens de voorspelling die ik in 1632 zoek, zou Ur of haar muur verwoest worden. Dat betekent een aanval en opent de mogelijkheid dat de archieven niet zomaar eindigden. Het moet een grote en plotselinge oorlog zijn geweest. Dit is mogelijk de oorlog van Ilu-shuma van Assyrië (-1626). Hij schreef: “I established the freedom of the Akkadians and their children. I purified their copper. I established their freedom from the border of the marshes and Ur and Nippur, Awal, and Kismar, Dēr of the god Ištaran, as far as the city (Aššur).” 47 Awal is Awan in Elam; Ibbi-Sin veroverde dat (volgens jaarnaam 14 (1625) ). 48 Kismar is waarschijnlijk het huidig Jawal al Kasim, 33°29’12.96″ NLat en 44°26’00.20″ ELong. 49 Die plaatsnaam is niet te vinden op internet, maar de coördinaten zijn duidelijk genoeg. Der tenslotte ligt op de grens tussen Sumer en Elam. Dit samen is het gebied buiten dat van Eshnunna, dat in ieder geval in Ibbi-Sins jaar 9 (1630) niet meer van hem was.

De steden die Ilu-shuma noemt in het groen. 50 Kismar ligt net op de h van Eshnunna.

De zonsverduistering bij de val van Ur

In de tijd van Ibbi-Sin viel Ur in handen van de Elamieten. Normaal gesproken wordt gedacht dat dit het einde van zijn regering betekende. Op zich is dat een logische keuze, want Ibbi-Sin werd afgevoerd naar Elam. Wat voor zover ik weet altijd over het hoofd wordt gezien is een zonsverduistering tijdens de val van Ur. Deze wordt genoemd in één bron die duidelijk over de val van Ur gaat, en een tweede bron die over deze gebeurtenis lijkt te gaan. Als je die gegevens samenvoegt kan Ur alleen zijn gevallen in jaar 12 (1627).

De eclips wordt als eerste vermeld in een klaaglied over deze gebeurtenis, The lament for Sumer and Urim. De Gutium uit de bergen verwoestten het platteland en de Elamieten, de vijand, uit de hooglanden verwoestten vele steden op hun weg naar Ur in het zuiden. “Urim (Ur), like a great charging wild bull, bowed its neck to the ground.” Een tweede golf Elamieten kwam uit de bergen en bereikte Ur, waar chaos was ontstaan. “As the sky grew dark, the eye of the sun was eclipsing, the people experienced hunger.” Kort daarop viel de stad in handen van de vijand.

In de tijd van Ibbi-Sin waren er vier zonsverduisteringen in Ur, waarbij de zon voor minstens 50% was verduisterd:

  • 29 juni 1638: de zon was 76,8% verduisterd
  • 28 april 1635: 72,8%
  • 29 mei 1627: 87,5%
  • 22 oktober 1616: 56,8%

De eclips uit 1616 was moeilijk zichtbaar en valt daarom af. 1638 was jaar 1 van Ibbi-Sin, toen het rijk van Ur nog geen zichtbare problemen had, en 1635 is een jaar na of tijdens de opstand van Eshnunna; zie boven. 1627, de donkerste van de vier, is daarom de enige mogelijkheid. In dit jaar moet Ur in handen zijn gevallen van de Elamieten. Ibbi-Sin werd naar Elam gebracht en zou niet meer terugkomen.

Deze zonsverduistering wordt mogelijk nog een keer genoemd. In de rikis gerri enūma anu enlil, een soort bijlage bij de Enuma Anu Enlil, staat onder andere iets over zonsverduisteringen: “If an eclipse takes place [a]nd Venus and Jupiter are seen, the reign of a “king of the world” will end; instead of him, [in] the same [ye]ar, some other important nobleman will die.” 51 De term “king of the world” lijkt in de Enuma Anu Enlil te verwijzen naar Ur. 31 Een regering die eindigde zonder dat de koning stierf is een uitstekende beschrijving van Ibbi-Sin die afgevoerd werd naar Elam. Volgens Stellarium was op de dag van de zonsverduistering, 29 mei 1627, Venus ’s ochtends zichtbaar terwijl de zon opkwam, en Jupiter die avond, tussen de sterren.

Een aanwijzing dat dit jaartal voor de val van Ur ongeveer kan kloppen, is dat het klaaglied twee invallen van Elam noemt. Beide liepen slecht af voor Sumer. De eerste Elamitische oorlog van Ibbi-Sin wordt herinnerd in jaarnaam 9: “Year: Ibbi-Sin, king of Ur, brought massive (military) force to Huhnari, the lock of the land of Anšan/Elam (and) …” Ishbi-Erra schreef Ibbi-Sin in een brief dat hij niet ontmoedigd moest raken door hoe een oorlog tegen Elam verliep; dat kan alleen die uit jaarnaam 9 zijn. Uit Elam is niks bekend over deze oorlog en het is mogelijk dat er dichter bij huis werd gevochten. 52 Volgens de volgende jaarnaam die een oorlog met Elam vermeldt bleef Ibbi-Sin niet huilend in zijn paleis zitten, zoals in het klaaglied. Jaar 14 heet: “Year Ibbi-Sin the king of Ur overwhelmed Susa, Adamdun and Awan like a storm, subdued them in a single day and seized the lords of their people”. Dit is niet de oorlog waarbij Ur viel, want de volgende twee jaarnamen tonen Ibbi-Sins aanbidding van Nanna, de god van Ur. Als Ur dus inderdaad viel bij de tweede Elamitische oorlog, zal dat tussen jaar 8 en jaar 13 zijn geweest.

Enige ruimte voor twijfel is er ook. Volgens het klaaglied werd Ibbi-Sin “taken to the land Elam in fetters, that from Mount Zabu on the edge of the sea to the borders of Ancan (Anshan), like a swallow that has flown from its house, he should never return to his city”. Het lied is, tenminste in de Engelse vertaling, grotendeels geschreven in de verleden tijd, en heeft daarnaast een vooruitblik naar een toekomst waarin het weer goed zal gaan met Ur. Als Ibbi-Sin inderdaad in jaar 12 was afgevoerd en niet meer gezien was, kwam hij pas terug na het “nu” van het verhaal. De opmerking is dan het gevolg van dichterlijke vrijheid. Ik kan me tenminste niet voorstellen dat al die goden en godinnen die in het klaaglied huilen om wat er met Sumer gebeurt, echt gezien zijn door de schrijver.

Ibbi-Sin en Ishbi-Erra na de val van Ur

Als 1627 het jaar is waarin Ur veroverd werd door de Elamieten, kon Ibbi-Sin zich bevrijden en vocht hij terug. Jaarnaam 14 beschrijft namelijk gebeurtenissen uit jaar 13 (1626): “Year Ibbi-Sin the king of Ur overwhelmed Susa, Adamdun and Awan like a storm, subdued them in a single day and seized the lords of their people”. Adamdun moet in Elam hebben gelegen. 53 Awan lag ook in Elam, en Susa vlak daarbij; zie de kaart hierboven.

Jaar 15, genoemd naar (een) gebeurtenis(sen) uit jaar 14 (1625), heet “Year in which Nanna the beloved of his heart manifested himself to Ibbi-Sin, the king of Ur”. Nanna was de god van Ur. In Ur zijn omstreeks 450 kleitabletten gevonden uit jaar 15, veel meer dan uit elk ander jaar van Ibbi-Sin. 54 Op dat moment was Ur dus weer van hem, maar opvallend is dat hij niet noemt hoe dat kwam.

Het is nu heel verleidelijk om jaarnaam 15 in dezelfde tijd te plaatsen als jaarnaam 27 van Ishbi-Erra, de eerste koning van Isin I: “Year (Išbi-Erra the king) brought out of Ur, with his strong weapon, the Elamite who was dwelling in its midst”. Isbhi-Erra schreef aan Ibbi-Sin: “As long as my king is alive, he will exercise kingship over Ur, and (I will do) for him whatever my king might command me to do!” 55 Het was dan Ishbi-Erra die Ur heroverde en teruggaf aan haar koning. Voor de details die het mogelijk maken om Ishbi-Erra anders ten opzichte van Ibbi-Sin te dateren dan gebruikelijk is, zie hier. Voor hoe de correspondentie van Ibbi-Sin met en over Ishbi-Erra daarbij past, zie hier.

Het einde van Ur III

Enuma Anu Enlil, kleitablet 20: “If an eclipse occurs on [the 14th day] of Ajaru (maand II, april/mei) and the god, in his eclipse, becomes dark on the side north above, [and] clears on [the side so]uth below; The east wind (blows, and) the first watch [until (its) ris]ing(?) … is visible with the sun. [Observe this ec]lipse, (that of) the god who, [in] his eclipse became dark on the side north above, and cleared on the side south below, and bear in mind the east wind. […] there will be famine; the land [will have] riches. The prediction is given for Ur: In Ur, Mars will [rise (?) …]. […] Mars; there will be abundance; [The king(?)] of Ur’s reign will end.” 56 Huber noemt Mars niet of het zichtbaar zijn met the zon, en kon geen passende eclips vinden. 57

In tegenstelling tot in ieder geval de meeste keren dat in de Enuma Anu Enlil het einde van een regering werd voorspeld, wordt hier niks gezegd over een opvolger. In het sterfjaar van Ibbi-Sin, de laatste koning van Ur III, was er op 3 april 1615 een volledige maansverduistering. Deze begon rond middernacht; dat is tijdens de eerste wacht 57. Volgens Stellarium kwam Mars bijna meteen na zonsondergang op en was hij nog zichtbaar met de laatste zonnegloed. Zoals in het plaatje hieronder te zien is begon de verduistering met de noordelijke helft van de maan (onder, niet boven), en werd de onderkant van de zuidelijke helft als eerste weer zichtbaar.

Totaal

SKL: 4 kings; they ruled for 108 years (mss. J, P5, Su1, Su3+Su4 have instead: 5 kings; they ruled for (ms. P5 has:) 117 (ms. Su1 has instead: 120 + X) (ms. Su3+Su4 has instead: 123) years). Then Urim was defeated (ms. P5 has instead: Then the reign of Urim was abolished). (ms. Su3+Su4 adds:) The very foundation of Sumer was torn out (?). The kingship was taken to Isin.

De 108 jaar is de enige goede periode. De rest zal komen door alle varianten in de regeringsjaren.

laatste wijzigingen:
22 februari 2023: toegevoegd vergelijking met de midden- en ultra-lage versies van de standaardchronologie
13-19 februari 2024: grondig herschreven. Inkorten van Ishbi-Erra’s regering, van 33 naar 13 jaar, bleek niet mogelijk te zijn en is geschrapt. De maansverduisteringen en de bespreking van de bijbehorende gebeurtenissen bij de koningen gezet in wiens tijd ze horen. De maans- en zonsverduisteringen uit Ibbi-Sins tijd een betere invulling gegeven. De maans- en zonsverduistering van Babylon in deze post gezet, waar hij hoort. Het resultaat past beter bij mijn nieuwe chronologie van Mesopotamië. Extra zonsverduistering uit Shulgi’s tijd (1662) verwijderd, want de verduistering was toen slechts 20,1% in Ur, wat wel heel weinig is, en zal niet de bedoelde zijn.

21 februari 2024: de combinatie van de maan- en zonsverduistering uit 1659 is één van de slechts drie mogelijkheden tussen 1951-1351.

  1. CC BY-SA 2.0 []
  2. Magnus Widell, Reconstructing the Early History of the Ur III State: Some Methodological Considerations of the Use of Year Formulae, in Journal of Ancient Civilizations 17 (2002), p. 100 []
  3. Peter J. Huber, Third Millennium BC Chronology and Clock-Time Correction, Cuneiform Digital Library Preprints, Number 22.0 (2021), p. 11-18 []
  4. Peter J. Huber, Astronomical Dating of Ur III and Akkad, in Archiv für Orientforschung, Bd. 46/47 (1999/2000), p. p. 53 []
  5. Teije de Jong, Astronomical Fine-tuning of the Chronology of the Hammurabi Age, in Jaarbericht “Ex Oriente Lux” 44 (2012-2013), p. 153-155 []
  6. De Jong, op. cit., p. 161, 166 []
  7. Wu Yuhong, The Calendar Synchronization and Intercalary Months in the Umma, Puzriš-Dagan, Nippur, Lagash and Ur During Ur III Period, in Journal of Ancient Civilizations 17 (2002), p. 1-21 []
  8. Wu Yuhong, The Calendar Synchronization and Intercalary Months in the Umma, Puzriš-Dagan, Nippur, Lagash and Ur During Ur III Period, in Journal of Ancient Civilizations 17 (2002), p. 9, 11 []
  9. Wu Yuhong, The Calendar Synchronization and Intercalary Months in the Umma, Puzriš-Dagan, Nippur, Lagash and Ur During Ur III Period, in Journal of Ancient Civilizations 17 (2002), p. 21 []
  10. F. N. H. Al-Rawi en A. R. George, Tablets from the Sippar Library XIII: “Enūma Anu Enlil” XX, in Iraq, Vol. 68 (2006), p. 54 []
  11. A. K. Grayson en W. G. Lambert, Akkadian Prophecies, in Journal of Cuneiform Sources, Vol. 18 (1964), p. 10 []
  12. Al-Rawi en George, op. cit., p. 24 []
  13. Peter J. Huber, Third Millennium BC Chronology and Clock-Time Correction, in Cuneiform Digital Library Reprints (2021), p. 5 []
  14. Amnon Ben-Tor, Hazor and Chronology, in Ägypten und Levante / Egypt and the Levant 14 (2004), p. 47 []
  15. Peter J. Huber, Astronomical Dating of Ur III and Akkad, in Archiv für Orientforschung, Bd. 46/47 (1999/2000), p. 56 []
  16. Steinkeller (2003), p. 267-292 []
  17. A List of Reigns of Kings of Ur and Isin, MS 1686, in A. R. George, Sumero-Babylonian King Lists and Date Lists, in Royal Inscriptions and Related Texts, p. 206-207 []
  18. Michalowski (2011), p. 294 []
  19. F. N. H. Al-Rawi en A. R. George, Tablets from the Sippar Library XIII: “Enūma Anu Enlil” XX, in Iraq, Vol. 68 (2006), p. 32-33 []
  20. Al-Rawi en George, op. cit., p. 43-44. Ergens na ruination(?) mist een ] in hun tekst. []
  21. Boris Banjevic, Ancient Eclipses and Dating the Fall of Babylon, p. 10 []
  22. Banjevic, op. cit., p. 4-5 []
  23. RIME 3/2, p. 192, met p. 200 voor Abba’s zegel en p. 272 voor de vermeldingen van Arši-aḫ in Amar-Sins tijd. Volgens pagina 192 was Arši-aḫ ook gouverneur in maand V van jaar 45, maar dat is een reconstructie. De gouverneur van Babylon uit jaar 45 wordt niet bij naam genoemd. (Clarence Elwood Keiser, Patesis of the Ur dynasty (1919), p. 1516. Keiser schreef toen het spijkerschrift nog anders werd getranscribeerd en in dit boek wordt Shulgi Dungi genoemd. Ook heeft hij 10 extra regeringsjaren; wat door Keiser gezien werd als jaar 55 is nu jaar 45, blijkens jaarnaam 52, die vermeld wordt op p. 18 en hetzelfde is als de huidige jaarnaam 42.) []
  24. RIME 3/2, p. 108-110 []
  25. Paul-Alain Beauleu, What’s in a Name? Babylon and its Designations throught History, in Journal of the Canadian Society for Mesopotamian Studies 14 (2019), p. 29-30 []
  26. Teije de Jong, Astronomical Fine-tuning of the Chronology of the Hammurabi Age, in Jaarbericht “Ex Oriente Lux” 44 (2012/2013), p. 157, met voetnoot 17 []
  27. Banjevic, op. cit., voetnoot 13 op p. 10-11 []
  28. Jeanette C. Fincke, The Seventh Tablet of the Rikis Gerri series of Enūma Anu Enlil, in Journal of Cuneiform Studies, Vol. 66 (2014), p. 144 []
  29. Peter J. Huber, Abraham Sachs, Marten Stol, Robert M. Whiting, Erle Leichty, Christopher B. F. Walker en G. van Driel, Astronomical Dating of Babylon I and Ur III (1982), p. 41 []
  30. Peter J. Huber, Astronomical Dating of Ur III and Akkad, in Archiv für Orientforschung, Bd. 46/47 (1999/2000), p. 60 [] [] []
  31. Peter J. Huber, Astronomical Dating of Ur III and Akkad, in Archiv für Orientforschung, Bd. 46/47 (1999/2000), p. 62 [] [] []
  32. Peter J. Huber, Astronomy and Ancient Chronology, in Akkadica 119-120 (2000), p. 159-176, in de pdf p. 12 []
  33. A List of Year Names of Kings of Ur, MS 1915, in A. R. George, Sumero-Babylonian King Lists and Date Lists, in Royal Inscriptions and Related Texts, p. 207-208 []
  34. Michalowski (2011), p. 396-397 []
  35. Jeanette C. Fincke, Additions to Already Edited enūma anu enlil (EAE) Tablets, Part IV: The Lunar Eclipse Omens from Tablets 15-19 Published by Rochberg-Halton in AfO Beih 22, in Kaskal, Volume 13 (2016), p. 94 []
  36. Michalowski (2011), p. 177-178 [] []
  37. Peter J. Huber, Astronomical Dating of Ur III and Akkad, in Archiv für Orientforschung, Bd. 46/47 (1999/2000), p. 61-62 []
  38. Michalowski (2011), p. 181-182 []
  39. Michalowski (2011), p. 179 [] []
  40. Michalowski (2011), p. 180-181 []
  41. Michalowski (2011), p. 183-184 []
  42. Bertrand Lafont, La chute des rois d’Ur et la fin des archives dans les grands centres administratifs de leur empire, in Revue d’Asssyriologie et d’archéologie orientale, Vol. 89, No. 1 (1995), p. 5 []
  43. Michalowski (2011), p. 178 []
  44. Michalowski (2011), p. 172-174 []
  45. Michalowski (2011), p. 176 []
  46. Fitzgerald (2002), p. 18 []
  47. RIMA 1, p. 16-18 []
  48. Eckhard Unger en E. Ebeling, Awan, in Reallexikon der Assyriologie, Band 1, p. 324 []
  49. Douglas Frayne, The Zagros Campaigns of the Ur III Kings, in The Canadian Society for Mesopotamian Studies, Journal, Volume 3 (Fall 2008), p. 36 []
  50. Kaart van CC BY-SA 4.0. Ik heb vier vierkantjes groen gemaakt en de kaart aangevuld met de locatie van Awan van CC BY-SA 3.0, en die van Kismar van de coördinaten. []
  51. Jeanette C. Fincke, The Seventh Tablet of the Rikis Gerri series of Enūma Anu Enlil, in Journal of Cuneiform Studies, Vol. 66 (2014), p. 142 []
  52. Michalowski (2011), p. 190-191 []
  53. Eckhard Unger, Adamdun, in Reallexikon der Assyriologie, Band 1, p. 33 []
  54. Bertrand Lafont, La chute des rois d’Ur et la fin des archives dans les grands centres administratifs de leur empire, in Revue d’Asssyriologie et d’archéologie orientale, Vol. 89, No. 1 (1995), p. 5. Jaar 15 past niet in de grafiek, die gaat tot 350, maar als je de lijnen doortrekt kom je uit op omstreeks 450. []
  55. Michalowski (2011), p. 419 []
  56. Boris Banjevic, Ancient Eclipses and Dating the Fall of Babylon, p. 7 []
  57. Peter J. Huber, Astronomical Dating of Ur III and Akkad, in Archiv für Orientforschung, Bd. 46/47 (1999/2000), p. 61 [] []

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *